
|
 |

Telecombedrijf mag niet zonder toestemming gespecificeerde nota's sturen aan derden
24 juli 2000, z1999-1140
Een werknemer belt met een privé-telefoon veel voor zijn werk. Zijn baas zegt daarom toe om alle gespreks- en abonnementskosten van deze aansluiting te betalen. De werknemer ontvangt niet-gespecificeerde nota's en hij verzoekt het telefoniebedrijf deze nota's naar zijn werkgever te sturen. De werkgever vraagt het telefoniebedrijf later ook om een gespecificeerde nota van de privé-aansluiting van de werknemer. Het telefoniebedrijf voldoet aan dit verzoek. De werknemer is daarvan door geen van beide partijen op de hoogte gesteld, laat staan dat deze hem om toestemming hebben gevraagd. Het telefoniebedrijf had echter niet zonder toestemming van de werknemer een gespecificeerde nota aan de werkgever mogen sturen.
Het telefoniebedrijf meent dat het verstrekken van de gegevens was toegestaan, aangezien de werkgever optreedt als vertegenwoordiger van de werknemer. Het betalen van iemand anders' telefoonnota kan inderdaad gezien worden als een vorm van vertegenwoordiging. Het telefoonbedrijf heeft echter geen reden om aan te nemen dat deze vertegenwoordiging zich ook uitstrekt tot het inwinnen van nadere gegevens over de nota. Daarbij speelt een rol dat werkgevers en werknemers tegengestelde belangen kunnen hebben, waardoor er minder snel sprake is van vertegenwoordiging.
De Registratiekamer beveelt het telefoniebedrijf aan om de abonnees die hun nota naar iemand anders laten sturen, erop te wijzen dat deze persoon buiten hen om een gespecificeerde nota kan krijgen. Ook moet het telefoniebedrijf deze abonnees de mogelijkheid bieden dat dat alleen gebeurt met hun toestemming, of dat de gespecificeerde nota's alleen naar hun eigen adres worden verstuurd.
Brief
's-Gravenhage, 24 juli 2000
Ons kenmerk: z1999-1140-19
Onderwerp: klachten
Geachte heer A,
De Registratiekamer heeft het telecombedrijf bij brief van laten weten een onderzoek ex artikel 46 Wpr te hebben ingesteld naar aanleiding van een klacht van B tegen het telecombedrijf. Bij brief van heeft het telecombedrijf hierop geantwoord.
De uitkomsten van het onderzoek vormden voor de Registratiekamer aanleiding om het telecombedrijf een aanbeveling te doen als bedoeld in artikel 46, derde lid Wpr. Bij brief van heeft de Registratiekamer het telecombedrijf daarvan op de hoogte gebracht, en is het telecombedrijf in de gelegenheid gesteld om te reageren op de voorgenomen aanbeveling.
Hierop heeft het telecombedrijf gereageerd bij brief van. Op heeft als vervolg daarop mondeling overleg plaatsgehad tussen vertegenwoordigers van het telecombedrijf en van de Registratiekamer. Tijdens dit overleg kwam naar voren dat de Registratiekamer op 20 april 2000 eveneens een onderzoek ex artikel 46 Wpr had ingesteld naar aanleiding van een klacht van C tegen het telecombedrijf. Aangezien beide onderzoeken dezelfde problematiek betroffen heeft de Registratiekamer vervolgens op verzoek van het telecombedrijf besloten om beide onderzoeken te voegen.
Naar aanleiding van de door het telecombedrijf aangevoerde argumenten heeft de Registratiekamer haar voorgenomen aanbeveling aangepast. De herziene concept-aanbeveling is bij brief van aan het telecombedrijf voorgelegd. Het telecombedrijf heeft hierop gereageerd bij brief van (datum). Hieronder ga ik in op de inhoud van deze brief.
Het vraagstuk van vertegenwoordiging is in de eerdere correspondentie genoegzaam aan de orde gekomen. De Registratiekamer blijft van oordeel dat hier geen sprake is van een verstrekking voortvloeiend uit het doel van de registratie.
De door het telecombedrijf aangevoerde praktische bezwaren wijken niet wezenlijk af van die uit de brief van het telecombedrijf van. Het komt de Registratiekamer ook overigens voor dat de door het telecombedrijf aangevoerde bezwaren in de praktijk grotendeels te ondervangen zouden moeten zijn. Zo hoeft er geen aparte mailing uit te gaan, maar kan de mededeling ook in een bijsluiter bij de telefoonnota gedaan worden. Eveneens is moeilijk in te zien dat omvangrijke, kostbare wijzigingen in systemen nodig zouden zijn indien de verwachting van het telecombedrijf bewaarheid wordt dat slechts een enkele contractant bezwaar zal maken.
De Registratiekamer heeft in het licht van het voorgaande besloten om haar aanbeveling aan het telecombedrijf conform het laatste aan het telecombedrijf voorgelegde concept definitief vast te stellen als volgt.
De Registratiekamer beveelt het telecombedrijf aan om:
1. haar contractanten wier nota aan een ander adres wordt gestuurd zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk per 1 januari 2001, te informeren over de mogelijke verzending buiten hen om van een gespecificeerde nota naar het factuuradres;
2. iedere zulke contractant de gelegenheid te bieden om, bij die gelegenheid of later, aan te geven dat een dergelijke verstrekking slechts mag gebeuren met de specifiek gegeven toestemming van de contractant; dan wel iedere zulke contractant de gelegenheid te bieden om, bij die gelegenheid of later, aan te geven dat gespecificeerde nota's altijd naar diens eigen adres gestuurd dienen te worden;
3. haar procedures zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk per 1 januari 2001, zodanig in te richten dat contractanten die verzoeken om verzending van de nota aan een ander adres eveneens de hierboven onder (1) en (2) genoemde informatie en keuzes krijgen.
Voor de goede orde wijs ik u erop dat artikel 46, vierde lid Wpr bepaalt dat tegen deze aanbeveling geen voorziening van administratieve rechtspraak open staat.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende geďnformeerd te hebben.
Hoogachtend,
|
|
|

|