PRG 1999/5365 -------------------------------------------------------------------------------- Kantongerecht Almelo 30 september 1999 (mr. E.C.M. Rammeloo-August de Meijer, zaaknr. 73941 EJ VERZ 99-862) Art. 7:678, 7:685 Burgerlijk Wetboek. [Essentie] Het zonder toestemming aansluiten kantoorcomputer op internet en adressenbezoek onder werktijd, - mede wegens onkunde kantonrechter ter zake informatietechnologie - geen dringende reden, maar wel verandering van omstandigheden voor ontbinding arbeidsovereenkomst zonder vergoeding. Voorwaardelijk 685-verzoek tegen administratief medewerker (30 jaar, 0,5 dienstjaren). Werknemer, voor bepaalde tijd van 12 maanden in dienst, is op staande voet ontslagen wegens het zonder toestemming aanleggen van een internetverbinding en het in werktijd bezoeken van bepaalde adressen. Bovendien zou hij, mede door privé problemen, oncollegiaal en weinig klantvriendelijk functioneren. Volgens werknemer ontmoette hij nooit kritiek op zijn functioneren en hebben zijn privé-omstandigheden geen invloed gehad. Hij geeft toe een internetaansluiting te hebben aangelegd, doch dat bracht nauwelijks (extra) kosten met zich en daar was verhoudingsgewijs weinig werktijd mee gemoeid. Wel is kwalijk dat werkgeefster zijn privacy heeft geschonden door zijn e-mails te bekijken middels kraking van zijn wachtwoord. De door werkgeefster gestelde gronden vormen volgens de kantonrechter, die zich onkundig inzake informatietechnologie verklaart, geen dringende reden voor ontbinding. Overgelegde lijsten van bezochte adressen en bestanden geven geen indicatie van de aard daarvan, noch wenst de rechter afbeeldingen te zien, aangezien die geen bewijs leveren dat werknemer die heeft opgeroepen. De gronden zijn wel voldoende voor een ontbinding wegens een verandering van omstandigheden. Geoordeeld wordt dat daarbij een vergoeding achterwege dient te blijven, aangezien werkgeefster geen verwijt treft, ook niet dat voor het onderzoek naar misbruik van internet mogelijkerwijs de privacy zou zijn geschonden. [Tekst] Inzake Wierdens Houthandel BV, kantoorhoudende te Rijssen, verzoekster, gemachtigde mr. R.F.A. Rörink, advocaat en procureur te Almelo tegen A.B. Kunst, wonende te Goor, verweerder, gemachtigde mr. J.E. Middelveld, advocaat en procureur te Goor. Overweegt 1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend, althans niet danwel onvoldoende weersproken het navolgende vast. a. Kunst, thans 30 jaar oud, is met ingang van 1 januari 1999 bij Wierdens Houthandel in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, van rechtswege eindigende op 31 december 1999, in de functie van administratief medewerker (boekhouder/)verkoper tegen een bruto maandsalaris van laatstelijk, na de wettelijke en contractuele inhoudingen, f 3443 per maand exclusief vakantietoeslag. b. De gecombineerde functie bracht met zich mee dat Kunst twee werkplekken had: één "boven", alwaar Kunst maximaal gedurende één dag per week de boekhouding deed en de administratie bijwerkte, en één "beneden" alwaar hij de rest van de werkweek zijn verkoop- en verkoopondersteunende activiteiten ontwikkelde. Kunst was verantwoording verschuldigd aan de bedrijfsleider H. Otter. c. Op beide werkplekken bevonden zich een computer. De computer "boven" had een internetaansluiting, bestemd voor zakelijk gebruik, en met welke computer de bankbetalingstransacties werden gedaan. De computer "beneden" had geen internetaansluiting en was bestemd voor het maken van berekeningen, offertes, facturen etcetera. d. Op 19 juni 1999 is ontdekt dat de fax, welke "beneden" stond naast de computer aldaar buiten werking was. Er bleek een internetaansluiting te zijn aangelegd in de plaats van de faxaansluiting vanaf de computer, waarvan de leiding van Wierdens Houthandel niet op de hoogte was. Kunst had deze zonder toestemming van Wierdens Houthandel aangesloten. e. Tijdens een functioneringsgesprek op 21 juni 1999 is met Kunst gesproken over zijn oncollegiale en weinig klantvriendelijke opstelling binnen het bedrijf van Wierdens Houthandel en is hij aangesproken op het aanleggen van een internetaansluiting zonder toestemming van Wierdens Houthandel. De opstelling van Kunst was van dien aard dat hij Wierdens Houthandel het vertrouwen in hem in verregaande mate was beschaamd. Wierdens Houthandel heeft Kunst ontslag op staande voet aangezegd, welk ontslag zij bij brief van 23 juni 1999 schriftelijk heeft bevestigd. f. Bij brief van 24 juni 1999 is namens Kunst de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen. 2. Thans verzoekt Wierdens Houthandel ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor zover vereist, op grond van gewichtige redenen primair wegens feiten en omstandigheden die een dringende reden in de zin van art. 7:677 lid 1 BW opleveren, subsidiair wegens een zodanige verandering van omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk, althans na korte tijd behoort te eindigen. Wierdens Houthandel voert aan dat al langere tijd de gemoedstoestand van Kunst, op grond van zijn privé-omstandigheden maakte dat de bedrijfsleider Otter, zijn collega's en ook de klanten daaronder hadden te lijden. Kunst was niet geliefd bij het personeel, er waren klachten over het gedrag van Kunst en hij onttrok zich vaak aan zijn dagelijkse taken en was dan niet op zijn reguliere werkplek. Ook nadat hem was duidelijk gemaakt dat zijn gedrag niet acceptabel was veranderde de houding van Kunst niet. Toen de illegale internetaansluiting was ontdekt, moest Kunst ook toegeven dat hij tijdens werktijden veelvoudig gebruik maakte van internet, getuige de lijsten met bestanden welke hij sedert 16 januari 1999 had ingezien. Dit ging ten koste van zijn werkzaamheden ten behoeve van Wierdens Houthandel en veroorzaakte ook extra telefoonkosten. 3 a. Kunst betwist dat hij niet zou hebben gefunctioneerd. Er is nimmer kritiek op hem geuit en er zijn ook geen functioneringsgesprekken geweest, verslagen of brieven waaruit zulks blijkt. Hij meent dat zijn privé-omstandigheden, hoewel die onrust met zich meebrachten toch niet ertoe hebben geleid dat zijn collega's, zijn werk of de klanten daaronder hebben geleden. Hij geeft toe dat hij zonder toestemming een internetaansluiting heeft aangelegd en hij betreurt dat achteraf. Doch dit levert geen reden voor een ontslag op staande voet op. Een waarschuwing was meer op zijn plaats geweest. b. Wat het internet-gebruik betreft geeft hij aan dat dit ook door andere werknemers kan zijn gedaan. De bankbetalingstransacties zijn via het internet gemeld. Het internetten brengt nauwelijks extra kosten met zich mee (de provider Castel was kosteloos) en de tijd daarmee gemoeid (volgens de overgelegde lijsten 4,5 uur) staat niet in verhouding tot de meer dan 900 uren die hij bij Wierdens Houthandel heeft gewerkt. Hij neemt het zwaar op dat Wierdens Houthandel zijn privacy heeft geschonden door na kennelijk kraking van het wachtwoord zijn persoonlijke e-mail te openen. Hij heeft geen erotische afbeeldingen bekeken, zij het wel als een geintje samen met een paar collega's. c. Kunst is van mening dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen, weshalve hij primair verzoekt het verzoek af te wijzen, subsidiair hem een ontbindingsvergoeding toe te kennen, waarop gelet op de schending van zijn privacy een hoge correctie-factor van toepassing is. 4. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst, voorzover die nog mocht bestaan, ontbinden. Herstel van het dienstverband acht Wierdens Houthandel onmogelijk. De kantonrechter zal de ontbinding niet gronden op een dringende reden. Daartoe is tevens naar het ongeoorloofd internetten de niet collegiale en klantonvriendelijke opstelling van Kunst aangevoerd en die grond levert geen dringende reden op, afgezien dat daarvan ook onvoldoende is gebleken. Het verslagje van een gesprek met Kunst in de eerste periode van zijn dienstverband is eerder als een opsomming van verbeterpunten te beschouwen. 5. Dat het ongeoorloofd internetten niet als dringende reden in het bestek van deze procedure kan worden aangenomen ligt vooral aan de onkunde van de kantonrechter èn Wierdens Houthandel inzake informatietechnologie. De overgelegde met bezochte internetadressen en ingekeken bestanden geven aan de kantonrechter geen aanwijzingen omtrent het soort adressen dat bezocht of bekeken is. Wierdens Houthandel heeft wel aangegeven dat het om een bepaald soort afbeeldingen ging en ook een afbeelding aan de kantonrechter willen tonen. Behalve dat de kantonrechter daar niet nieuwsgierig naar was, verstrekt het ook niet enig bewijs, voorzover de kantonrechter thans kan beoordelen dat Kunst die afbeelding heeft opgeroepen. 6. Wel acht de kantonrechter de aangevoerde gronden voldoende om tot een ontbinding op grond van verandering van omstandigheden te komen. Op de ter zitting overgelegde aanvullende lijsten blijkt van internetten gedurende werktijden via de provider (Castel) die Kunst heeft opgeroepen. Het gebruik van internetaansluiting via Castel bedroeg op sommige dagen vele minuten, op sommige dagen zelfs uren. Afgezien van de (niet aanzienlijke) telefoonkosten ging dit allemaal af van de tijd die Kunst ten behoeve van Wierdens Houthandel had moeten aanwenden. Het feit dat Kunst ook geen verklaring geeft voor het zonder toestemming aanleggen van een internetaansluiting geeft te denken. Al met al acht de kantonrechter enig verwijt aan het adres van Wierdens Houthandel niet op zijn plaats. Zij zal Kunst dan ook geen vergoeding toekennen en de arbeidsovereenkomst op zo kort mogelijke termijn ontbinden. Dat Wierdens Houthandel mogelijkerwijs de privacy van Kunst heeft geschonden, mag Kunst niet aan haar tegenwerpen. In het kader van het onderzoek naar misbruik van het internet bij Wierdens Houthandel, valt niet te ontkomen aan een onderzoek naar het persoonlijk gebruik dat van het internet is gemaakt. 7. De kantonrechter zal de proceskosten compenseren, nu beide partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.