NJ 1995/400 --------------------------------------------------------------------------------- HOGE RAAD 11 november 1994, rek.nr. 8501 (Mrs. Snijders, Korthals Altes, Neleman, Nieuwenhuis, Swens-Donner; A-G Leijten; m.nt. EAA en HJS) RvdW 1994, 241 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen art. 25a, 25b, 3; Sv art. 141; EVRM art. 6, 8 lid 2; IVBP art. 19; Gr.w art. 10 [Essentie] Terugvordering IOAZ. Opsporingsbevoegdheid gemeente. Onrechtmatig verkregen bewijs; observatie door middel van technische hulpmiddelen. Mensenrechten; privé-leven; "in accordance with the law" in art. 8 EVRM. Rapportage. Rechtbank: Het feit dat bij een observatie technische hulpmiddelen worden gebruikt, brengt nog niet mee dat de met behulp daarvan verkregen waarnemingen als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten. De keuze van het hulpmiddel, een op de woning van O. gerichte camera, is niet disproportioneel te achten, nu daarmee niet meer kon worden waargenomen dan hetgeen een lijfelijk aanwezige opsporingsambtenaar op dezelfde plaats had kunnen waarnemen. Hoge Raad: Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet door in weerwil van de in art. 8 lid 2 EVRM voorkomende woorden "voor zover bij de wet is voorzien" ("in accordance with the law") onvermeld te laten op welke wetsbepaling of ongeschreven rechtsregel de bevoegdheid tot het verzamelen van het onderhavige bewijsmateriaal berustte. De rechtbank heeft immers kennelijk de opsporingsbevoegdheid van art. 141 Sv voor ogen gehad. Het enkele feit dat het verzamelde bewijs thans in de onderhavige procedure wordt gebezigd, heeft niet tot gevolg dat het onrechtmatig is verkregen, noch ook dat de vermelde bepaling geen grondslag kan zijn voor een gerechtvaardigde inmenging in het privé-leven, als hier naar het oordeel van de rechtbank heeft plaatsgevonden. Er bestaat geen verschil tussen observatie met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel en het geval dat observatie zonder gebruikmaking van een technisch hulpmiddel heeft plaatsgevonden: ook dan vormt de rapportage geen volledige beschrijving van hetgeen de opsporingsambtenaar heeft waargenomen. Waar het in beide gevallen op aankomt, is of de rechter de rapportage, eventueel in het licht van daartegen aangevoerd tegenbewijs, voldoende betrouwbaar oordeelt. NOOT * [Tekst] 1. Dinand Scholten, en 2. Adriana van Ofwegen, te Wierden, verzoekers tot cassatie, adv. mr. P. Garretsen, tegen De gemeente Wierden, verweerster in cassatie, adv. mr. W. Heemskerk. Rechtbank: (...) Scholten en Van Ofwegen hebben drie grieven aangevoerd, luidende: I) Ten onrechte komt de kantonrechter tot de conclusie dat op grond van de inhoud van de rapportages van de sociaal rechercheurs Tip en Hofman, de verklaringen van dezen als getuigen ter zitting van 8 september 1993, zomede op grond van de verklaringen van appellanten ten overstaan van deze opsporingsambtenaren tegenover de sociale dienst van geïntimeerde, appellanten hebben samengewoond waarbij zij gezamenlijk hebben voorzien in hun huisvesting en waarbij beiden een bijdrage hebben geleverd in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging hebben voorzien. II) Ten onrechte heeft de kantonrechter op grond van de verklaringen van de getuigen Hofman en Tip ter zitting, als vaststaand aangenomen dat zij in de periode 12 maart 1993 tot en met 30 maart 1993 een vrijwel pertinente camera-opstelling aanwezig hebben doen zijn in de directe nabijheid van het pand Rijssensestraat 41 te Wierden, waardoor het hen mogelijk was om alle bewegingen van personen die dat pand in- en uitgingen te registreren in die periode. III) Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat de inzet van een camera niet disproportioneel was en dat van enige strijd met het fair trial beginsel geen sprake is. Scholten en Van Ofwegen wensen de zaak in volle omvang aan de rechtbank ter beoordeling voor te leggen. 5. De gemeente Wierden heeft in haar verweerschrift verzocht het door appellanten ingestelde beroep ongegrond te verklaren en de beschikking van de kantonrechter d.d. 12 januari 1994 te bekrachtigen. 6. Het hoger beroep richt zich blijkens de grieven en de toelichting daarop ook tegen hetgeen in de tussenbeschikking van de kantonrechter van 1 december 1993 is overwogen. De rechtbank zal grief III als eerste behandelen. Blijkens deze grief en toelichting daarop, alsmede uit de toelichting op de overige grieven, richten de bezwaren van Scholten en Van Ofwegen zich niet zozeer tegen de observatie op zich, maar tegen het feit dat die observatie met behulp van een camera is geschied. Scholten en Van Ofwegen betwisten, terecht, niet het recht van een gemeente om bij een vermoeden van, kort gezegd, uitkeringsfraude onderzoekshandelingen te (doen) verrichten, in welk kader bijvoorbeeld tot observatie kan worden besloten. Dat een gemeente onder die omstandigheden dat recht heeft, staat buiten kijf. Niet valt in te zien waarom in dat geval de observaties onafgebroken, onmiddellijk en uitsluitend door middel van (fysieke aanwezigheid van de) opsporingsambtenaren in de directe nabijheid van het te observeren pand zouden moeten geschieden. Het feit dat bij een observatie een of meer technische hulpmiddelen gebruikt worden, maakt op zich niet dat de met behulp daarvan verkregen waarnemingen van de opsporingsambtenaren als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing gelaten zouden moeten worden. De keuze van het technisch hulpmiddel, een camera welke gericht stond op een gedeelte van de woning van appellanten, is niet disproportioneel te achten nu daarmee niet meer kon worden waargenomen dan hetgeen op dezelfde plaats door een lijfelijk aanwezige opsporingsambtenaar had kunnen worden waargenomen. Zoals ook door de kantonrechter is overwogen, wordt de door een observatie gemaakte inbreuk op het recht op privacy en gezinsleven in casu gerechtvaardigd door het op de Wet gebaseerde recht van de overheid om bij een redelijk vermoeden van uitkeringsfraude opsporingshandelingen te doen verrichten. Het feit dat bij een observatie dan gebruik gemaakt kan worden van een camera doet daaraan niet toe of af. Voorzover Scholten en Van Ofwegen betogen dat door het gebruik van een camera inbreuk is gemaakt op hun gezinsleven is de grief onbegrijpelijk nu Scholten en Van Ofwegen juist betogen dat er van een gezinsleven geen sprake is. Evenmin is het beginsel van fair trial geschonden. De opsporingsambtenaren hebben gerapporteerd omtrent hetgeen zij met behulp van technische opsporingsmiddelen hebben waargenomen. Deze bevindingen hebben zij onder ede herhaald. Er is derhalve sprake van eigen waarnemingen waaromtrent onder ede is verklaard. Evenmin als eigen waarnemingen naderhand produceerbaar (kunnen) zijn, is het noodzakelijk dat de producten van technische hulpmiddelen waarmede die waarnemingen zijn gedaan beschikbaar blijven opdat andere betrokkenen daarvan kennis kunnen nemen. De onder ede afgelegde verklaring van een opsporingsambtenaar is een wettig bewijsmiddel. Mede door de onder ede afgelegde verklaringen van de opsporingsambtenaren, mede inhoudende dat hun waarnemingen juist zijn geweest en dat het uitgesloten behoort te worden geacht dat het technisch hulpmiddel in zijn werking tekort is geschoten, en dus niet met gebruikmaking van het door het technisch hulpmiddel geproduceerde, heeft de kantonrechter bewezen geacht dat er, kort gezegd, sprake was van samenwoning. Het fair trial beginsel is dusdoende op generlei wijze geschonden, te meer nu niet gesteld of gebleken is dat de door de Wet aangegeven grenzen door de opsporingsambtenaren of de gemeente zijn overschreden. De rechtbank neemt de overwegingen van de kantonrechter ter zake over en maakt deze tot de hare. 7. Ten aanzien van grief II overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank neemt daarbij aan dat de kantonrechter en Scholten en Van Ofwegen met een permanente camera-opstelling bedoelen een permanente camera-opstelling. De grief komt er kort samengevat op neer dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat het met behulp van een camera mogelijk was om alle bewegingen van personen die de woning aan de Rijssensestraat 41 te Wierden in- en uitgingen te registreren. Het is in theorie zeker denkbaar dat er methoden of uitgangen zijn welke gebruikt kunnen worden zonder dat deze met behulp van een (of één) camera kunnen worden geregistreerd. De getuige Tip verklaart dat ook. De grief verliest echter uit het oog dat het er niet om gaat wat er met behulp van het technisch hulpmiddel niet is waargenomen, maar om wat er wèl is waargenomen. Juist hetgeen de opsporingsambtenaren hebben waargenomen, waaromtrent zij verklaren in hun rapportage en hun verklaringen onder ede, is mede als bewijs gebruikt. Uit de verklaringen blijkt, mede gelet op de overige bewijsmiddelen, ook naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is geweest van, kort gezegd, samenwonen door Scholten en Van Ofwegen. Het feit dat enkele in- of uitgaande bewegingen wellicht niet zijn waargenomen doet daaraan niet toe of af. Ook deze grief treft mitsdien geen doel. 8. Omtrent de eerste grief overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens de toelichting op deze grief wordt geen bezwaar gemaakt tegen het feit dat, naast de rapportages van de rechercheurs Tip en Hofman en hun verklaringen als getuigen ter zitting van 8 september 1993, de verklaringen van Scholten en Van Ofwegen tegenover Tip en Hofman en de verklaringen van Scholten en Van Ofwegen tegenover de sociale dienst van de gemeente Wierden ten grondslag worden gelegd aan de conclusie van de kantonrechter dat Scholten en Van Ofwegen hebben samengewoond waarbij zij gezamenlijk hebben voorzien in hun huisvesting en waarbij beiden een bijdrage hebben geleverd in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging hebben voorzien. Gelet op het hiervoor overwogene treffen de bezwaren tegen de rapportages en verklaringen van Tip en Hofman geen doel. Op grond van alle verklaringen en hetgeen door of namens Scholten en Van Ofwegen ter zitting van de kantonrechter d.d. 14 juli 1993, als blijkend uit het proces-verbaal daarvan en ter zitting van de rechtbank d.d. 14 maart 1994 is verklaard is ook de rechtbank van oordeel dat er gedurende de periode waarover de gemeente verhaal zoekt sprake is van een samenwoning van Scholten en Van Ofwegen, waarbij zij gezamenlijk hebben voorzien in hun huisvesting en waarbij beiden een bijdrage hebben geleverd in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging hebben voorzien. 9. Het hoger beroep is ongegrond en de beschikking van de kantonrechter dient dan ook in stand te blijven. (enz.) Cassatiemiddel: 3. Als middel van cassatie wordt voorgesteld: de rechtbank heeft het recht geschonden dan wel op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften verzuimd door te overwegen en te beslissen als in deze beslissing is weergegeven (waarnaar wordt verwezen), waartoe het navolgende geldt (dat zonodig in onderling verband of samenhang dient te worden gelezen): 3.1 Scholten en Van Ofwegen achten onbegrijpelijk hetgeen de rechtbank onder 6 (ad grief III, blz. 3 beschikking) heeft overwogen en beslist nu toch Scholten en Van Ofwegen bezwaar hebben gemaakt tegen de vrijwel pertinente camera-opstelling als observatie(-methode), zodat hun bezwaar zowel op die langdurige (de tijdsperiode 12 t/m 30 maart 1993) als op de intensieve wijze van observatie betrekking had. 3.2 Rechtens onjuist is het oordeel van de rechtbank daar waar zij overweegt "Scholten en Van Ofwegen betwisten, terecht, niet het recht van een gemeente om bij een vermoeden van, kort gezegd, uitkeringsfraude onderzoekshandelingen te (doen) verrichten, in welk kader bijvoorbeeld tot observatie kan worden besloten. Dat een gemeente onder die omstandigheden dat recht heeft, staat buiten kijf", immers de niet-betwisting door Scholten en Van Ofwegen voor wat betreft de (te plegen) onderzoekshandelingen houdt niet in dat zij (dus) hebben erkend dat de gemeente (hier) tot (die) observatie-(methode) - gerechtigd was, nu toch - gelijk in eerste aanleg en in hoger beroep gesteld - voor deze observatie (in de vorm en omvang waarin deze heeft plaatsgehad) een nadrukkelijke wetsduiding verplicht respectievelijk benodigd was, welke juist hier heeft ontbroken. Omdat per datum indiening dezes nog niet kan worden beschikt over het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep, wordt hier het recht tot aanvulling of wijziging voorbehouden. 3.3 Rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is hetgeen de rechtbank voorts overweegt: "De keuze van het technisch hulpmiddel, een camera welke gericht stond op een gedeelte van de woning van appellanten, is niet disproportioneel te achten nu daarmee niet meer kon worden waargenomen dan hetgeen op dezelfde plaats door een lijfelijk aanwezige opsporingsambtenaar had kunnen worden waargenomen", immers ook het stelselmatig, niet meer incidenteel, en langdurig bespieden, in de gaten houden, observeren, van één of meer personen, levert op de wijze waarop die observatie hier qua omvang en intensiteit heeft plaatsgehad reeds een zodanige inbreuk op op de Scholten en Van Ofwegen (elk) toekomende persoonlijkheidsrechten (waarover hierna meer - PG) dat daarmee of daardoor een of enige disproportionaliteit(s-toetsing) al niet meer aan de orde kan komen althans is, hetgeen de rechtbank heeft miskend althans heeft zij haar oordeel dienaangaande onvoldoende (inzichtelijk) gemotiveerd. 3.4 Rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is hetgeen de rechtbank onder 6 blz. 4 der beschikking overweegt, immers naar de stand van heersende rechtspraak en literatuur wordt de door een observatie gemaakte inbreuk op het recht van privacy- en gezinsleven in casu juist niet althans niet zonder meer gerechtvaardigd door het op de Wet gebaseerde recht van de overheid om bij een redelijk vermoeden van uitkeringsfraude opsporingshandelingen te doen verrichten, nu toch niet alleen de rechtbank niet aangeeft (en overigens evenmin de kantonrechter - P.G.) welke "Wet" haar voor ogen heeft gestaan (immers gelijk hierboven gesteld biedt de Politiewet daartoe onvoldoende (rechts-)kader, terwijl hier blijkens het dossier geen strafrechtelijk onderzoek in de zin van art. 1 Sv is gestart in verband met dan wel ten tijde van de observatieperiode 12 t/m 30 maart 1993, en/of in dat kader geen gerechtelijk vooronderzoek is gestart althans is verzocht), maar ook onderscheidt de rechtbank ten onrechte niet tussen opsporingshandelingen en een observatie op de wijze waarop en in omvang waarin deze hier heeft plaatsgehad immers niet-incidenteel maar stelselmatig en gedurende een niet-korte periode. 3.5 Ook het feit dat bij observatie (dan) gebruik gemaakt kan worden van een camera doet anders dan de rechtbank daaraan wel degelijk toe of af, immers wordt daarmee de ernst van de gepleegde inbreuk nader geduid hetgeen de rechtbank miskent. 3.6 Onbegrijpelijk is voorts hetgeen de rechtbank onder 6 blz. 4 vervolgens overweegt "Voorzover Scholten en Van Ofwegen betogen dat door het gebruik van een camera inbreuk is gemaakt op hun gezinsleven is de grief onbegrijpelijk nu Scholten en Van Ofwegen juist betogen dat er van een gezinsleven geen sprake is", nu de rechtbank hierbij uitgaat van een foutief althans onjuist begrip gezinsleven, immers wordt daaronder (toch) ook verstaan het persoonlijkheidsrecht van de individu, het recht op niet-inmenging in het privé-leven, gelijk hier onder sub 13 in het appèl-rekest aangegeven. 3.7 Rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is het oordeel van de rechtbank "Evenmin is het beginsel van fair trial geschonden" en/respectievelijk in verband met hetgeen de rechtbank vervolgens aldaar (kennelijk mede als toelichting op of nadere uitwerking van haar oordeel terzake) overweegt (hetgeen hier voor zoveel nodig als ingelast dient te worden beschouwd), nu toch de artt. 6 en 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) jo. art. 19 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) in verband met art. 10 Grondwet (Gr.w) met zich meebrengen dat een inbreuk op de privacy op de wijze als hier heeft plaatsgehad tenminste vooraf bij afzonderlijke wet gelegitimeerd moet zijn alswel als uitkomst van een of enig onderzoek tenminste in de controleerbare vorm voor de verdediging beschikbaar moet zijn of blijven zodat alsdan niet is toegelaten de rapportage van de opsporingsambtenaren omtrent hetgeen zij met behulp van technische opsporingsmiddelen hebben waargenomen, immers vormt die rapportage hun weergave van (hun selectie van) het beeldmateriaal zoals zij dat hebben beoordeeld, vormt derhalve afgeleid (bewijs-)materiaal. Daarnaast en/of overigens heeft te gelden dat bij gebreke van die wettelijke legitimiteit in combinatie met het vernietigen van het bewuste beeldmateriaal, daarmee of daardoor reeds het fair trial-beginsel als zodanig is geschonden, terwijl - anders dan de rechtbank terzake overweegt - zijdens Scholten en Van Ofwegen wel degelijk is gesteld dat de door de Wet aangegeven grenzen door de opsporingsambtenaren of de Gemeente zijn overschreden, immers zie sub 13 t/m 15 in het appèl-rekest. 4. Het diverse hiervoor gestelde leidt er voorts toe dat rov. 7 en 8 aldus bezien evenzeer rechtens onjuist en/of althans niet concludent zijn voorzover zij (mede) zijn gebaseerd op de observatie en/of daarop voortbouwende rapportages en (getuigen-)verklaringen. 5. Herhaald wordt het gemaakte voorbehoud vanwege feitelijke onbekendheid per datum dezes van de inhoud van het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep, dit verzoekschrift aan te vullen of te wijzigen. Ook overigens verzoekt steller dezes te mogen worden toegelaten dit verzoekschrift nader schriftelijk toe te lichten. Aanvullend cassatiemiddel: 3. Middelonderdeel 3.2 rgls 10 t/m 12 dient aldus te worden gelezen: nu toch zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is welke Wet de rechtbank voor ogen heeft gestaan (in de bewoordingen van de rechtbank "het op de Wet gebaseerde recht van de overheid om bij een redelijk vermoeden van uitkeringsfraude opsporingshandelingen te doen verrichten"), immers indien de rechtbank zou hebben bedoeld het Wetboek van Strafvordering dan is reeds daarom haar oordeel rechtens onjuist nu het Wetboek van Strafvordering niet in een dergelijk (observatie-)recht voorziet, terwijl indien de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op de bijzondere regelgeving welke in bijstands(opsporing)zaken geldt, dit oordeel eveneens rechtens onjuist is, nu de bijzondere opsporingsambtenaren noch de eventueel ingeschakelde reguliere verbalisanten hetzij aan de Politiewet hetzij aan de Wet Economische Delicten een dergelijke bevoegdheid kunnen ontlenen. Nadere uitwerking en toelichting. 1. Corstens, Het Nederlandse Strafprocesrecht, Hfdst. XI par. 12 bespreekt de observatie(-methode) als middel van het opsporingsonderzoek. Hij schrijft (blz. 277) in verband met het gewezen arrest door de Strafkamer van Uw Hoge Raad van 14 oktober 1986 (NJ 1988 nr. 511 m.nt. ThWvV), "alwaar strijd met art. 8 EVRM was opgeworpen doch Uw Strafkamer dat beroep verwierp door te overwegen "reeds" () omdat de verbalisanten blijkens hun tot het bewijs gebezigde relaas zich hebben beperkt tot waarneming van hetgeen in het openbaar geschiedde". Voor zover met die overweging zou worden gesuggereerd dat waarneming van iets dat in het openbaar geschiedt nooit in strijd zou kunnen zijn met art. 8 EVRM moet die suggestie van de hand worden gewezen. Het stelselmatig volgen van iemands gangen in de openbaarheid gedurende een bepaalde, niet-kortstondige periode kan wel degelijk tot zoveel informatie over iemands doen en laten leiden, dat daardoor zijn persoonlijke levenssfeer wordt aangetast. Corstens stelt dan (blz. 277/278:) Indien die intensieve waarnemingen criminele activiteiten of voorbereidingen daartoe betreffen brengt een redelijke uitleg van de artt. 10 GW, 8 EVRM en 17 IVBP met zich mee dat ze niet de persoonlijke levenssfeer betreffen (). Vaak zal de observatie zich echter in de voorfase afspelen en niet direct (voorbereidingen van) criminele activiteiten betreffen. Dan is regeling bij of krachtens de wet in formele zin vereist die voldoet aan de eisen van art. 8 lid 2 EVRM, een en ander voorzover die observatie het stelselmatig volgen van iemands gangen gedurende een langere dan kortstondige periode inhoudt. Ook hier geldt dat regeling bij de Politiewet (1993) aangewezen is; op blz. 99 beschrijft hij de noodzaak van een wet in formele zin. Echter noch in de Politiewet (zoals deze hier nog van toepassing was) noch in de Politiewet 1993 heeft observatie (nadere) regeling gevonden, terwijl evenmin anderszins wetgeving als bedoeld in de zin van art. 8 lid 2 EVRM is gerealiseerd, immers heeft de observatie noch regeling in het Wetboek van Strafvordering noch elders in een wet regeling gevonden. Waar hier de rechtbank zo nadrukkelijk overweegt "Dat een gemeente onder die omstandigheden dat recht heeft, staat buiten kijf" is derhalve onbegrijpelijk, nu juist dat rechtsfundament ontbreekt. Het ontbreken van dit rechtsfundament werkt evenzeer door in de overwegingen van de rechtbank daar waar zij het beroep op onrechtmatig verkregen bewijs verwerpt, stelt de keuze van het technisch hulpmiddel niet disproportioneel te achten, de inbreuk op het recht op privacy en gezinsleven gerechtvaardigd acht, en oordeelt dat evenmin het beginsel van fair trial is geschonden (de middel-onderdelen 3.3 t/m 3.7). Op grond van voormelde wijziging en aanvulling wordt gepersisteerd bij de gevraagde vernietiging. Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 25 juni 1993 ter griffie van het Kantongerecht te Almelo ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar met verzoek - kort gezegd - te bepalen dat verweerders in cassatie - verder te noemen: Scholten en Van Ofwegen - hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, wegens ten onrechte ontvangen uitkering van kosten van levensonderhoud ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) aan de Gemeente schuldig zijn een bedrag groot ƒ 40 770,06 met vaststelling van terugbetalingstermijnen van ƒ 774,43 per maand. Nadat Scholten en Van Ofwegen tegen de vordering verweer hadden gevoerd, heeft de Kantonrechter bij tussenbeschikking van 1 december 1993 de Gemeente in de gelegenheid gesteld om schriftelijk nader aan te geven tot welke bedragen ten onrechte uitkeringen zijn gedaan aan Scholten in respectievelijk de perioden voorafgaand aan en na 1 augustus 1992, en dienovereenkomstig haar petitum te wijzigen. Bij eindbeschikking van 12 januari 1994 heeft de Kantonrechter bepaald dat Scholten wegens IOAZ-uitkering over de periode 25 april 1991 tot en met 31 juli 1992 aan de Gemeente schuldig is een bedrag van ƒ 26 934,56, binnen drie maanden na betekening van deze beschikking te voldoen, alsmede dat Scholten en Van Ofwegen, hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, over de periode 1 augustus 1992 tot en met 31 maart 1993 aan de Gemeente schuldig zijn een bedrag van ƒ 13 835,50, af te lossen met een bedrag van ƒ 774,43 per maand, en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen de eindbeschikking hebben Scholten en Van Ofwegen hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Almelo. Bij beschikking van 23 maart 1994 heeft de Rechtbank het hoger beroep ongegrond verklaard en de bestreden beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd. (...) 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) B en W van de Gemeente hebben bij beschikking van 4 december 1990 aan Scholten een uitkering op grond van de Wet IOAZ toegekend op de grondslag van samenwoning met Van Ofwegen, en deze uitkering na aftrek van de inkomsten van Van Ofwegen op nihil bepaald. Scholten heeft tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend, dat op 20 februari 1991 is ingetrokken. (ii) Bij brief van 20 februari 1991 heeft de toenmalige raadsman van Scholten aan de Gemeente medegedeeld dat de samenwoning tussen Scholten en Van Ofwegen was beëindigd. (iii) Scholten is per 25 april 1991 ingeschreven op het adres Kerkstraat 16 te Wierden. (iv) B en W hebben van 25 april 1991 tot 1 april 1993 aan Scholten een uitkering toegekend ingevolge de Wet IOAZ naar de grondslag voor een alleenstaande. 3.2 In het onderhavige geding verzoekt de Gemeente Scholten en Van Ofwegen te veroordelen tot terugbetaling van de ontvangen IOAZ-uitkering tot een totaalbedrag van fl 40 770,06. Aan dit verzoek heeft zij ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat zij ten onrechte uitkeringen aan Scholten heeft gedaan, omdat naderhand uit onderzoek door de Sociale Recherche is gebleken dat Scholten gedurende de gehele uitkeringsperiode met Van Ofwegen heeft samengewoond in de zin van de Wet IOAZ, zonder daarvan aan haar mededeling te doen. De Kantonrechter heeft bij zijn eindbeschikking van 12 januari 1994 het verzoek van de Gemeente, met een beperking die in cassatie niet van belang is, toegewezen, en de Rechtbank heeft die beschikking bekrachtigd. Hiertegen richt zich het middel. 3.3 In zijn tussenbeschikking van 1 december 1993 heeft de Kantonrechter onder meer overwogen dat in de periode van 12 tot en met 30 maart 1993, waarin vrijwel onafgebroken observatie heeft plaatsgevonden, Scholten en Van Ofwegen in de woning van Van Ofwegen nagenoeg steeds in elkaars nabijheid zijn geweest. Het verweer dat het bewijs onrechtmatig is verkregen, omdat de waarnemingen zijn gedaan met een technisch hulpmiddel (filmopnamen) heeft de Kantonrechter verworpen. Daartoe heeft hij overwogen, kort samengevat, dat het op deze wijze gebruik maken van dit middel niet in strijd is met enige wets- of verdragsbepaling, dat de inbreuk op het recht op privacy en gezinsleven als bedoeld in onder meer art. 8 EVRM haar rechtvaardiging vindt in het op de wet gebaseerde recht van de overheid om bij een redelijk vermoeden van uitkeringsfraude opsporingshandelingen als de onderhavige te doen verrichten, en dat de Gemeente de proportionaliteit tussen het middel en het na te streven doel niet uit het oog heeft verloren. 3.4 De Rechtbank heeft appelgrief III van Scholten en Van Ofwegen aldus opgevat dat hun bezwaren zich niet richten tegen de observatie op zichzelf, maar tegen het feit dat de observatie met behulp van een camera is geschied. In dat verband heeft de Rechtbank voorts nog overwogen dat Scholten en Van Ofwegen terecht niet het recht van een gemeente betwisten bij een vermoeden van uitkeringsfraude onderzoekshandelingen te doen verrichten, in het kader waarvan tot observatie kan worden besloten. Deze oordelen berusten op een aan de Rechtbank voorbehouden uitleg van de stukken van het geding, die niet onbegrijpelijk is en in cassatie niet verder kan worden getoetst. Voor zover de onderdelen 3.1-3.3 deze oordelen anders opvatten dan hiervoor weergegeven, missen zij feitelijke grondslag. 3.5 De Rechtbank heeft, evenals de Kantonrechter, het bezwaar van Scholten en Van Ofwegen, dat het onderzoek door de Sociale Recherche mede heeft bestaan in observatie van de woning van Van Ofwegen met behulp van een camera, verworpen. Daartoe heeft zij, kort samengevat, overwogen dat het feit dat bij een observatie technische hulpmiddelen worden gebruikt, nog niet meebrengt dat de met behulp daarvan verkregen waarnemingen als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten, en dat de keuze van het hulpmiddel, een op de woning van Van Ofwegen gerichte camera, niet disproportioneel is te achten, nu daarmee niet meer kon worden waargenomen dan hetgeen een lijfelijk aanwezige opsporingsambtenaar op dezelfde plaats had kunnen waarnemen. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet, zoals onderdeel 3.4 aanvoert, door in weerwil van de in art. 8 lid 2 EVRM voorkomende woorden "voor zover bij de wet is voorzien" ("in accordance with the law") onvermeld te laten op welke wetsbepaling of ongeschreven rechtsregel de bevoegdheid tot het verzamelen van het onderhavige bewijsmateriaal berustte. De Rechtbank heeft immers kennelijk de opsporingsbevoegdheid van art. 141 Sv. voor ogen gehad. Het enkele feit dat het verzamelde bewijs thans in de onderhavige procedure wordt gebezigd, heeft niet tot gevolg dat het onrechtmatig is verkregen, noch ook dat de vermelde bepaling geen grondslag kan zijn voor een gerechtvaardigde inmenging in het privéleven, als hier naar het oordeel van de Rechtbank heeft plaatsgevonden. Deze oordelen kunnen voorts, verweven als zij zijn met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op hun juistheid worden onderzocht. De onderdelen 3.2-3.5, voor zover zij al feitelijke grondslag hebben, stuiten hierop af. 3.6 Onderdeel 3.6 klaagt over onbegrijpelijkheid van de verwerping door de Rechtbank van het betoog van Scholten en Van Ofwegen dat door het gebruik van een camera inbreuk is gemaakt op hun gezinsleven, omdat de Rechtbank daarbij is uitgegaan van een onjuist begrip recht op gezinsleven, dat, aldus het middel, ook recht op niet-inmenging in het privéleven omvat. De klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, aangezien de Rechtbank ook de inbreuk op het recht op privacy in casu gerechtvaardigd heeft geacht. 3.7 Onderdeel 3.7 bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat "het beginsel van fair trial" niet is geschonden. Het onderdeel voert daartoe aan dat in een geval als het onderhavige de uitkomst van een onderzoek in controleerbare vorm beschikbaar moet blijven, zodat een rapportage van de opsporingsambtenaren omtrent hetgeen zij hebben waargenomen, welke rapportage een selectie is van het beeldmateriaal, niet is toegelaten. Het onderdeel ziet evenwel eraan voorbij dat in dit opzicht geen verschil bestaat met het geval dat observatie zonder gebruikmaking van een technisch hulpmiddel heeft plaatsgevonden: ook dan vormt de rapportage geen volledige beschrijving van hetgeen de opsporingsambtenaar heeft waargenomen. Waar het in beide gevallen op aankomt, is of de rechter de rapportage, eventueel in het licht van daartegen aangevoerd tegenbewijs, voldoende betrouwbaar oordeelt. Anders dan het onderdeel voorts nog aanvoert, doet aan een en ander niet af dat het beeldmateriaal inmiddels is vernietigd. Het onderdeel faalt derhalve. 3.8 Onderdeel 4 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en moet het lot daarvan delen. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. [Mening] Conclusie A-G mr. Leijten: A. Loop van de procedure tot aan beroep in cassatie. 1. Bij beschikking van 4 december 1990 had de gemeente Wierden (verder: de gemeente) aan de verzoeker van cassatie (verder: Scholten) een uitkering ten behoeve van zijn kosten van levensonderhoud toegekend krachtens de wet Inkomensvoorziening Ouderen en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen (wet IOAZ) maar de vreugde over die toekenning zal getemperd zijn geweest doordat de uitkering na aftrek van de inkomsten van de verzoekster (verder: Van Ofwegen) op nihil werd bepaald. Dat is juridisch iets heel anders dan afwijzing van de vordering, economisch verschilt het niet veel. 2. Scholten diende tegen deze beschikking op 31 december 1990 een bezwaarschrift in, dat hij echter op 20 februari 1991 weer introk. Op diezelfde dag heeft de raadsman van Scholten aan de gemeente schriftelijk laten weten, dat de samenleving van Scholten en Van Ofwegen was beëindigd. 3. Bij beschikking van 21 mei 1991 heeft de gemeente aan Scholten een uitkering krachtens de wet IOAZ toegekend. Over de periode van 25 april 1991 tot 1 april 1993 heeft de gemeente uit dien hoofde aan Scholten uitkeringen verstrekt naar bruto grondslag voor een alleenstaande van f 1769,44 per maand inclusief vakantiegeld tot een totaalbedrag van f 42 671,14. 4. De gemeente heeft zich toen Scholten en Van Ofwegen (verder ook te noemen: de verzoekers) weigerden dit bedrag als onverschuldigd voldaan terug te betalen, gewend tot de kantonrechter te Almelo met verzoek te bepalen dat de verzoekers aan de gemeente verschuldigd zijn f 40 770,06 - een bedrag van f 1901,08 moet de gemeente met een derde verrekenen - en dat zij dat zullen afbetalen - des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd - in maandtermijnen van f 774,43. 5. Daartoe stelde de gemeente, zeer kort samengevat, dat de verzoekers in die periode, zonder dat Scholten dit aan de Dienst Sociale Zaken had meegedeeld, waren blijven samenwonen, zoals kon worden vastgesteld "aan de hand van geconstateerde feiten en hetgeen de heer Scholten en mevrouw Van Ofwegen hebben verklaard tijdens de verhoren van de sociale recherche. 6. In het inleidend verzoekschrift van de gemeente komt nog niet tot uiting op welke wijze de feiten zijn geconstateerd. Enige tipjes van de sluier worden opgelicht in de verklaringen van de sociale rechercheurs J. Hofman en O. Tip, afgelegd als getuigen bij de kantonrechter die tot hun verhoor aan het eind van de mondelinge behandeling van de zaak op 14 juli 1993 opdracht had gegeven. De rechercheurs verklaren bij die gelegenheid dat zij hebben geobserveerd met technische hulpmiddelen desverzocht aan hen beschikbaar gesteld door de politie Noord-West-Twente maar zij weigeren "om opsporingstechnische redenen" de vraag te beantwoorden welke hulpmiddelen dat zijn en na beraad (met zichzelf) is de kantonrechter van oordeel dat die vraag onbeantwoord mag blijven. 7. Na afloop van dat verhoor verklaart de gemeente in een geschrift van 20 september 1993 (blz. 2, onder 3, eerste alinea) van oordeel te zijn: "dat de Sociale Recherche gedurende de periode 12 maart 1993 tot 30 maart 1993 op een geoorloofde wijze waarnemingen heeft verricht middels gebruik van door de politie Noord-West-Twente bij wijze van zeer hoge uitzondering beschikbaar gestelde op het doel van het gebruik afgestemde geavanceerde technische hulpmiddelen." 8. In zijn tussenbeschikking van 1 december 1993 deelt de kantonrechter onder 17 mee, dat voor de observatie gebruik is gemaakt van een (video)camera met een permanente opstelling buiten het perceel Rijssensestraat 41 te Wierden (alwaar de voortgezette samenwoning haar beslag zou hebben gekregen, L) en onder 20 zet de kantonrechter uiteen waarom hij de getuigen heeft toegestaan de vraag welk specifiek technisch hulpmiddel was gebruikt onbeantwoord te laten zulks "temeer nu niet is gesteld of gebleken dat gebruik is gemaakt van een ander dan een toegelaten opsporingsmiddel, zoals hierboven overwogen". 9. Dat was echter wel degelijk gesteld: zie overweging 13 uit de tussenbeschikking van de kantonrechter, vooral alinea's 2 en 3, maar die stellingen, inhoudende dat het bewijs met deze technische hulpmiddelen vergaard, onrechtmatig was verkregen heeft de kantonrechter, in het vervolg van die beschikking verworpen. 10. Om in cassatie niet terzake doende redenen werd door de kantonrechter nog enig cijferwerk van de gemeente verlangd waarna hij bij eindbeschikking van 12 januari 1994 bepaalde dat Scholten een bedrag van f 26 934,56 ineens binnen drie maanden aan de gemeente diende te voldoen en dat de verzoekers van cassatie hoofdelijk in termijnen van f 774,31 per maand aan de gemeente dienden te betalen een bedrag van in totaal f 13 835,50. 11. De verzoekers stelden hoger beroep in tegen "de beschikking van de kantonrechter", voerden drie grieven aan en verzochten de rechtbank te Almelo "om de beschikking van de kantonrechter d.d. 12 januari 1994 te vernietigen" etc. 12. In haar beschikking van 23 maart 1994 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 6, eerste alinea overwogen: "Het hoger beroep richt zich blijkens de grieven en de toelichting daarop ook tegen hetgeen in de tussenbeschikking van de kantonrechter van 1 december 1993 is overwogen." 13. In de zoëven genoemde beschikking heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en de beschikking waarvan beroep bekrachtigd. Dat moet de eindbeschikking zijn. Uit de beschikking van de rechtbank blijkt dat zij ook de tussenbeschikking bekrachtigd wenst te zien, ware dit niet het geval dan zou ook de eindbeschikking van de kantonrechter, die op die tussenbeschikking voortbouwt, geen stand kunnen houden. B. Het middel van cassatie. 14. Het middel bestaat uit 7 onderdelen (3.1 tot en met 3.7), gericht tegen rechtsoverweging 6 uit de beschikking van de rechtbank en een geheel daarop steunende en daaruit voortvloeiende klacht tegen de rechtsoverwegingen 7 en 8 (4.) 15. Onder 3.2. en 5 wordt voorts het recht voorbehouden op aanvulling en wijziging van de cassatie-memorie, aangezien nog niet kon worden beschikt over het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep. 16. Van dat recht is gebruik gemaakt bij geschrift van 24 juni 1994 als gevolg waarvan middelonderdeel 3.2. aan het einde gewijzigd en aangevuld als in dat geschrift aangegeven dient te worden gelezen. 17.1. Middelonderdeel 3.1.: Scholten en Van Ofwegen hebben bezwaar gemaakt tegen de vrijwel pertinente (lees: permanente) camera-opstelling als observatie(-methode). Derhalve heeft hun bezwaar zowel op de lange duur als op de intensiteit van de observatie betrekking. 17.2. Ik ben het met de gemeente eens dat niet geheel duidelijk wordt tegen welk gedeelte van rechtsoverweging 6 de klacht zich richt maar dat dit waarschijnlijk de passus is die in het verweerschrift in cassatie onder 9, blz. 8 wordt aangehaald: "Blijkens deze grief en de toelichting daarop, alsmede uit de toelichting op de overige grieven, richten de bezwaren van Scholten en Van Ofwegen zich niet zozeer tegen de observatie op zich, maar tegen het feit dat de observatie met behulp van een camera is geschied." 17.3. Als deze veronderstelling juist is (en dat moet zij haast wel zijn omdat er geen andere passage in r.o. 6 is aan te wijzen, waarop de klacht ook maar bij benadering betrekking kan hebben) faalt de klacht. De rechtbank stelt hier tegenover elkaar: het observeren als zodanig en het observeren met een technisch hulpmiddel, te weten een camera. Zij kon aannemen dat het bezwaar van de verzoekers zich richtte tegen de observatie per camera en dat gedurende een bepaalde periode aan een stuk door ("permanent") en niet tegen het "gewoon" observeren, gedurende welke tijd dan ook. 17.4. Dat volgt overigens ook al uit de redactie van grief III waartegen rechtsoverweging 6 zich richt: "Ten onrechte heeft de Kantonrechter beslist dat de inzet van een camera niet disproportioneel was en dat van enige strijd met het fair trial beginsel geen sprake is." 17.5. Als in de Toelichting dan ook gesproken wordt over "gericht en langdurig observeren" als wel degelijk schending opleverend van de persoonlijke levenssfeer en in geen enkele proportie staande tot het doel dat de gemeente voor ogen had, moet dit betrekking hebben op het aldus observeren met een camera. 18.1. In middelonderdeel 3.2. wordt bestreden het oordeel van de rechtbank luidende: "Scholten en Van Ofwegen betwisten, terecht, niet het recht van een gemeente om bij een vermoeden van, kort gezegd, uitkeringsfraude onderzoekshandelingen te (doen) verrichten, in welk kader bijvoorbeeld tot observatie kan worden besloten. Dat een gemeente onder die omstandigheden dat recht heeft, staat buiten kijf." 18.2. Aangevoerd wordt dat deze niet-betwisting niet inhoudt dat de verzoekers hebben erkend dat de gemeente tot die observatie-methode gerechtigd was, nu toch zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is welke wet de rechtbank voor ogen heeft gestaan toen zij gewaagde van het op de Wet gebaseerde recht van de overheid om bij een redelijk vermoeden van uitkeringsfraude opsporingshandelingen te doen verrichten. 18.3. De rechtbank gewaagt van het op de wet gebaseerde recht van de overheid in deze rechtsoverweging 6, echter pas op blz. 4 bovenaan, en stelt ook daar weer dat de overheid bij een redelijk vermoeden van fraude opsporingshandelingen mag doen verrichten in het kader waarvan tot observatie kan worden besloten. Gewone observatie dus en nog niet die met behulp van een camera. 18.4. Vanzelfsprekend is de overheid tot observatie gerechtigd zelfs als er (nog) geen vermoeden van een strafbaar feit bestaat. Zo is het belang van verhevigde surveillance door de politie gelegen in kans op vermeerdering van observaties van ongerechtigheden. Zo mag de politie bij een rood licht staan kijken (= observeren) wie er zich niet aan het verbod houdt en, naar algemeen wordt aanvaard, mag de persoon van de politie-kracht vervangen worden door een ter plaatse opgestelde camera, die observeert en het geobserveerde vastlegt. Niet alleen uit de artikelen 141 en 142 Sv, maar ook uit het feit dat de politie volgens de wet onder toezicht en met zonodig instructie van het openbaar ministerie tot taak heeft de naleving van de wetten te bevorderen, volgt reeds dat deze algemene observatie op de wet en op het recht berust. Over specifieke observatie kom ik nog te spreken. 18.5. Ik ben het alweer met de gemeente eens: de rechtbank heeft in de aangevallen passage niet te kennen gegeven dat de verzoekers de rechtmatigheid van het gebruik van een camera voor observatie van hun handelingen niet hebben betwist en dus geacht moeten worden te hebben erkend. Als dat zo was, was het proces daarmee en daardoor reeds ten nadele van de verzoekers beslecht, want zo gaat dat in het civiele recht: wie zwijgt stemt toe. Wat zij volgens de rechtbank niet hebben betwist is dat een gemeente bij vermoeden van uitkeringsfraude mag onderzoeken of dat vermoeden juist is en daarbij in het algemeen gebruik mag maken van observatie. Zoals ik onder 18.4 heb betoogd is dat vanzelfsprekend een recht van de gemeente als overheid en het pleit daarom voor het redelijk inzicht van de verzoekers dat zij dit niet hebben willen betwisten. 19.1. In middelonderdeel 3.3. trekken de verzoekers ten strijde tegen deze overweging van de rechtbank: "De keuze van een technisch hulpmiddel, een camera welke gericht stond op een gedeelte van de woning van appellanten, is niet disproportioneel te achten nu daarmee niet meer kon worden waargenomen dan hetgeen op dezelfde plaats door een lijfelijk aanwezige opsporingsambtenaar had kunnen worden waargenomen." 19.2. Zij voeren daar tegen aan dat het stelselmatig, niet meer incidenteel, en langdurig bespieden, in de gaten houden, observeren, van een of meer personen op de wijze waarop die observatie hier qua omvang en intensiteit heeft plaatsgehad reeds een zodanige inbreuk oplevert op de (aan, L) Scholten en Van Ofwegen (elk) toekomende persoonlijkheidsrechten (...) dat daarmee of daardoor een of enige proportionaliteitstoetsing niet meer aan de orde kan komen, ... waarna dan nog aan de rechtbank wordt verweten dat zij haar oordeel dienaangaande onvoldoende (inzichtelijk) heeft gemotiveerd. 19.3. Ik begrijp het verwijt zo: of er nu een camera gebruikt werd of niet, de duur en de intensiteit van het observeren waren in elk geval van dien aard, dat zij zouden hebben geleid tot onrechtmatige bewijsgaring. 19.4. De klacht stuit af op de beslissing van de rechtbank die bij de klacht onder 3.1. reeds aan de orde is gekomen, dat het bezwaar van de verzoekers zich niet zozeer richt tegen de observatie als zodanig als wel tegen de observatie per camera. Ik voeg hier aan toe, dat in de rechtspraak het woordgebruik erg nauw let: ik had dan ook liever gezien dat de rechtbank niet de "niet-zozeer" terminologie had gebruikt want eigenlijk houdt die in: maar toch wel een beetje. "Ik ben niet zozeer kwaad als wel verdrietig" betekent niet: ik ben niet kwaad maar verdrietig, maar: ik ben wel een beetje kwaad maar vooral erg verdrietig. Deze nuancering heeft de rechtbank kennelijk niet voor ogen gestaan. 19.5. Naast dit processueel argument staat ook een materieel punt: gericht, langdurig observeren van een bepaalde persoon (of van een aantal bepaalde personen) is, in het kader van het recht op privacy, inderdaad iets heel anders dan observeren in het algemeen, waarover ik sprak in nr. 18.4. Ik denk dat het wanneer dat zonder meer gebeurt, zo hinderlijk en beledigend, zo de privacy schendend is, dat het tot onrechtmatigheid van de op die manier verkregen resultaten leidt. We zouden bijv., als de techniek en de overheidskas het toelieten, op alle personen die een uitkering krachtens wet X ontvangen, een camera kunnen zetten om te zien of ze wel, zoals ze opgaven, alleenstaand zijn. Dat is niet een algemene observatie maar een gerichte observatie namelijk op iedereen afzonderlijk van deze groep. Dan zou er 10% (het is maar een schatting) door de mand kunnen vallen, een mooi resultaat op zich. Maar intussen zijn die andere 90% geheel zonder reden wezenlijk in hun eigenheid aangetast. Maar als er gronden zijn om iemand van uitkeringsfraude te verdenken en de rechtbank heeft, gelet op de toedracht van de zaak als hiervoor weergegeven, met recht en in cassatie onbestreden vastgesteld dat zodanig vermoeden bij de gemeente bestond dan is intensieve observatie die zich over een langere tijd uitstrekt, naar het mij toeschijnt, niet onaanvaardbaar. Ik zeg: over een langere tijd, en niet: over zeer lange tijd, want als de observatie ondanks verdenking gedurende enige tijd tot niets leidt, moet de overheid er, om wille alweer van het belang van de privacy, mee stoppen en niet uitgaan van de gedachte: eens vangen we ze wel, die hazen. 19.6. In dit geval is gericht geobserveerd, bij vermoeden van uitkeringsfraude gedurende negentien dagen en in die periode zijn er terzake relevante gebeurtenissen geobserveerd. Ik zou menen, dat die observaties die, let wel, in het kader van deze klacht (nog) niet zijn observaties per camera niet een onrechtmatig handelen van de overheid opleveren. Zie ook HR 9 januari 1987, NJ 1987, 928: ook daar waar het overheidsoptreden schending van privacy oplevert, kan voor die inmenging een rechtvaardiging aanwezig zijn met het oog op de controle op naleving van (in dit geval) de wet IOAZ. En een zodanige inmenging is zelfs in beginsel in een democratische samenleving nodig in het belang van het economisch welzijn van het land en de bescherming van de openbare orde. 19.7. Om deze twee redenen (19.4 en 19.5) kan deze klacht niet slagen. 20.1. Middelonderdeel 3.4.: dit richt zich tegen rechtsoverweging 6, voorzover voorkomend op pag. 4 van de beschikking. Het lijkt een klacht in te houden, die zo ongeveer samenvalt met die van 3.2. in haar nieuwe gedaante. Ik verwijs naar wat ik daar heb aangevoerd. Voor het overige miskent de klacht van dit middelonderdeel dat er verschil is tussen de periode waarin een (mogelijk) strafbaar feit wordt opgespoord in welke periode bij aanwezigheid van redelijk vermoeden van schuld (welke omstandigheid door de rechtbank is vastgesteld en in cassatie niet wordt bestreden) een gerichte, gewone observatie in elk geval mag plaatsvinden, en de eventueel daaruit voortvloeiende fase van gerechtelijk onderzoek. Opsporingsfaciliteiten, waaronder dwangmiddelen, zijn, zoals het woord reeds uitdrukt, tenzij de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, in de opsporingsfase toegestaan en de rechtmatigheid van observatie van een verdachte is zeker niet afhankelijk van het feit of er een vervolgingsfase met gerechtelijk vooronderzoek en eventuele terechtzitting op volgt. Er kan ook beslist worden tot een civiele actie tot terugvordering, als in de opsporingsfase voldoende gegevens om daartoe over te gaan zijn verzameld en misschien niet genoeg gegevens om tot strafrechtelijke vervolging te besluiten. 20.2. Het middelonderdeel klaagt er ook over dat de rechtbank geen onderscheid maakt tussen opsporingshandelingen en een observatie op de wijze waarop en in de omvang waarin deze hier heeft plaatsgehad immers niet incidenteel maar stelselmatig en gedurende een niet korte periode. 20.3. Uit het laatste deel van de klacht maak ik op dat ook hier nog niet over het technisch middel waarmee werd geobserveerd wordt geklaagd maar over het observeren als zodanig gedurende "niet-korte" tijd, stelselmatig, niet-incidenteel. 20.4. Daaromtrent heb ik al te kennen gegeven dat zulks wanneer het (redelijk) vermoeden is gerezen dat een bepaald iemand ten aanzien van uitkeringen krachtens sociale verzekeringen fraudeert (maar ook in andere gevallen als dat daar tot resultaat kan leiden) niet onrechtmatig is. Het is opvallend dat de advocaat van de verzoekers hier de term: niet-kort bezigt. Ik zou menen dat er evenmin van een buitensporig lange periode sprake is, in welk geval ik op den duur wel onrechtmatigheid zou aannemen, met name wanneer de gerichte observatie alsmaar werd vol gehouden zonder dat zaken aan het licht kwamen, totdat eindelijk enz. 21.1. Middelonderdeel 3.5. luidt letterlijk: "Ook het feit dat bij observatie (dan) gebruik gemaakt kan worden van een camera doet anders dan de rechtbank (oordeelt, L) daaraan wel degelijk toe of af, immers wordt daarmee de ernst van de gepleegde inbreuk nader geduid hetgeen de rechtbank miskent." 21.2. Welke redengeving hier ("immers ...") aan de klacht wordt gegeven, begrijp ik niet zo erg goed, al zal ik straks in nr. 21.5 een ernstige poging tot begrip doen, maar de aangevallen beslissing van de rechtbank moet in elk geval wel gelezen worden in het licht van de gehele motivering. Daaraan voorafgaand overweegt de rechtbank immers: "Niet valt in te zien waarom in dat geval (als tot observatie wordt besloten, L) de observaties onafgebroken, onmiddellijk en uitsluitend door middel van (fysieke aanwezigheid van de) opsporingsambtenaren in de directe nabijheid van het te observeren pand zouden moeten geschieden. Het feit dat bij een observatie een of meer technische hulpmiddelen gebruikt worden, maakt op zich niet dat de met behulp daarvan verkregen waarnemingen van de opsporingsambtenaren als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing gelaten zouden moeten worden. De keuze van het technisch hulpmiddel, een camera welke gericht stond op een gedeelte van de woning van appellanten, is niet disproportioneel te achten nu daarmee niet meer kon worden waargenomen dan hetgeen op dezelfde plaats door een lijfelijk aanwezige opsporingsambtenaar had kunnen worden waargenomen. (cursivering door mij aangebracht, L)" 21.3. Wel niemand zal willen beweren dat wanneer een opsporingsambtenaar die wegens slechte ogen een bril draagt en daarmee waarneemt wat anderen met het blote oog kunnen zien, op onrechtmatige wijze bewijs vergaart als hij vertelt wat hij met behulp van een technisch hulpmiddel heeft waargenomen. Een stap verder is als de ambtenaar met een verrekijker werkt. Hij kan hoogstwaarschijnlijk meer zien dan zijn collega die op diezelfde plek staat maar dan zonder die verrekijker. Toch maak ik mij sterk dat de bevindingen van de eerste niet afstuiten op onrechtmatigheid van zijn methode. Het zou anders worden als hij met de verrekijker in de intimiteit van een slaapkamer doordrong (om zo een bepaalde vorm van samenleven vast te leggen). Van groot belang acht ik daarom de vaststelling door de rechtbank dat de camera vastlegde wat politiemensen zelf hadden kunnen zien als ze hadden gestaan op de plaats waar de camera stond opgesteld, een feitelijke vaststelling die in cassatie niet kan worden en, zover ik zie ook niet is, bestreden. Waar het technisch instrument dingen vermag te bewerkstelligen, die zonder dat apparaat niet te verwerkelijken zijn wordt het oppassen geboden en daar waar het zonder meer dingen kan doen die, in hun resultaat, door opsporingsambtenaren slechts zouden kunnen worden gedaan of worden ondernomen met speciale waarborgen voor de betrokkenen, daar is duidelijk dat van het technisch instrument niet zonder toestemming van die betrokkene of zonder uitdrukkelijke wetsbepaling gebruik kan worden gemaakt. 21.4. Maar van dat alles is hier geen sprake gelet op de vaststelling van de rechtbank die ik cursiveerde. 21.5. Door het gebruik van de camera wordt de ernst van de gepleegde inbreuk nader geduid en de rechtbank miskent dat, aldus het middel. Zoals al herhaaldelijk betoogd is er bij gerichte observatie van "lijfelijke" aard in geval van redelijk vermoeden van schuld aan een strafrechtelijk vergrijp dat bijna alleen maar door zo'n observatie kan worden vastgesteld, in het algemeen geen sprake van een onrechtmatige inbreuk op de rechten van de betrokkene. Op gronden als juist hiervoor uiteengezet is dat ook niet het geval als op de wijze zoals hier is gebeurd van een camera gebruik wordt gemaakt. De ernst van de gepleegde inbreuk kan niet nader geduid worden door het gebruik van de camera op de wijze zoals dat gebeurd is, omdat er zonder camera geen inbreuk is en met camera geen inbreuk ontstaat. 22.1. De klacht van middelonderdeel 3.6. richt zich tegen de overweging van de rechtbank: "Voorzover Scholten en Van Ofwegen betogen dat door het gebruik van een camera inbreuk is gemaakt op hun gezinsleven is de grief onbegrijpelijk nu Scholten en Van Ofwegen juist betogen dat er van een gezinsleven geen sprake is." 22.2. De rechtbank gaat hierbij, aldus het verwijt, uit van een foutief althans onjuist begrip gezinsleven, want daaronder wordt ook verstaan het persoonlijkheidsrecht van het individu, het recht op niet-inmenging in het privé-leven. 22.3. De rechtbank heeft echter ook in haar beschikking neergelegd: "Zoals ook door de kantonrechter is overwogen, wordt de door een observatie gemaakte inbreuk op het recht op privacy en gezinsleven in casu gerechtvaardigd door het op de Wet gebaseerde recht van de overheid om bij een redelijk vermoeden van uitkeringsfraude opsporingshandelingen te doen verrichten." 22.4. Ook nog aan het einde van rechtsoverweging 6 verklaart de rechtbank de overwegingen van de kantonrechter ter zake over te nemen. Ik verwijs naar rechtsoverweging 18 uit de tussenbeschikking van de kantonrechter. 22.5. De gewraakte overweging van de rechtbank moet zo worden verstaan: als de verzoekers al een beroep hebben gedaan op het recht op gezinsleven in de meer beperkte zin van dat begrip dan is dat op de aangegeven grond onbegrijpelijk. Dat is juist en wordt in de klacht ook niet bestreden. Maar de omstandigheid dat het beroep op het recht op gezinsleven meer kan betekenen dan de rechtbank hier aanneemt, namelijk ook beroep op privacy, op het beginsel van niet-inmenging van de overheid in de eigen sfeer van het individu, heeft de rechtbank zeer wel onderkend en dat beroep op het recht op gezinsleven in (zeer) ruime zin heeft zij, naar het mij voorkomt op goede gronden, zoals uit het voorafgaande blijkt, ook verworpen. 23.1. Middelonderdeel 3.7. richt zich tegen rechtsoverweging 6 voor zover de rechtbank daarin heeft beslist dat het beginsel van fair trial niet geschonden is. Dit oordeel en de motivering daarvan worden bestempeld als "rechtens onjuist althans onbegrijpelijk". 23.2. Aangevoerd wordt dat een schending van privacy als hier heeft plaatsgevonden, naar art. 10 Grondwet, de artt. 6 en 8 EVRM en art. 19 BUPO (IVBP) meebrengen tenminste vooraf bij afzonderlijke wet gelegitimeerd moet zijn alswel als uitkomst van een of enig onderzoek tenminste in de controleerbare vorm voor de verdediging beschikbaar moet zijn of blijven zodat alsdan niet is toegelaten de rapportage van de opsporingsambtenaren omtrent hetgeen zij met behulp van technische opsporingsmiddelen hebben waargenomen, immers vormt die rapportage hun weergave van (hun selectie van) het beeldmateriaal zoals zij dat hebben beoordeeld, vormt derhalve afgeleid (bewijs)materiaal. 23.3. Bijster helder is het alweer niet, maar ik zal proberen de klachten van het middelonderdeel onbevangen op te sporen. 23.4. Omtrent de voorafgaande wet heb ik al alles wat ik kan verzinnen gezegd en wat ik al herhaald heb ga ik hier niet nog eens zeggen. 23.5. Verder wordt erover geklaagd dat het beeldmateriaal, dat de camera heeft verschaft vernietigd is en niet meer beschikbaar voor "de verdediging" (zie ook cassatie-memorie 3.7 tweede alinea, blz. 4). 23.6. Het betreft hier het filmmateriaal als basis van de waarnemingen van de sociale rechercheurs. Wie iets heeft meegemaakt, bijvoorbeeld een verkeersongeval, kan die basis, het op dat moment geziene, wel reproduceren, zeggen wat hij gezien heeft, maar het geziene zelf niet voor de dag brengen. Dat is geen doorslaggevend bezwaar al weten we allemaal dat men met de waarnemingen van getuigen voorzichtig om moet springen. Voor zover dat niet zijn reden vindt in onbetrouwbaarheid en oneerlijkheid van een getuige, is het terug te voeren op het zo juist aangevoerde: de feilbaarheid van de produktie van het geziene. Maar dat is niet een reden om het bewijsmiddel als zodanig niet te aanvaarden. 23.7. Wat hier gebeurd is, is iets anders, een derde trede wordt toegevoegd: de camera ziet iets en legt het vast, het vastgelegde wordt door de rechercheurs gezien, en van wat zij gezien hebben geven zij ter zitting de reproduktie. Nu moet ik toegeven dat het in dit geval mogelijk zou zijn geweest het door de camera geziene vast te houden en daardoor de verklaringen van de rechercheurs over wat zij gezien hebben op de beelden te controleren, wat een grotere kans op juistheid van de verklaringen zou kunnen inhouden. Maar ik wil niet zo ver gaan dat dat inhoudt dat die controle zonder meer nodig is willen de verklaringen van de rechercheurs voor het bewijs worden gebruikt. Het zou anders kunnen zijn als gedocumenteerd werd aangetoond of minstens werd geponeerd dat wat zij, als op de beelden vertoond, hebben vastgesteld, in feite niet of niet zo op die beelden stond. Dat nu is niet gebeurd. In feite gaat het er in deze zaak niet meer om of de verzoekers in de betreffende periode hebben samengewoond en ook niet of dat uit de camera-beelden kon worden opgemaakt maar of het uit die camerabeelden mocht worden opgemaakt. Daar zeg ik ja op en dat is, dunkt mij, het beslissende punt. 23.8. Indien observatie en waarneming met de camera wel toelaatbaar is (gelijk naar mijn opvatting het geval is) en indien de gegevens die de camera biedt niet noodzakelijk ter beschikking moeten zijn of blijven van de betrokkenen, wil de inhoud daarvan mogen worden gereproduceerd (in proces-verbaal en/of bij getuigenverhoor) door de rechercheurs die de beelden hebben bewerkstelligd en er kennis van hebben genomen, dan volgt daaruit de rapportage, als inderdaad afgeleid bewijsmateriaal, wel bruikbaar is in de rechtszaak. Er is met andere woorden niet sprake van een combinatie van ontbreken van legitimiteit of wettelijkheid enerzijds en het vernietigen van het beeldmateriaal anderzijds. Dat laatste is er wel maar het eerste niet. Schending van het beginsel van fair trial acht ik niet aanwezig. 23.9. Misschien, zij het ten overvloede, nog dit: omdat de waarnemingen per camera niet onrechtmatig waren kunnen de verklaringen van verzoekers, kennelijk verkregen nadat de beelden hen hetzij rechtstreeks hetzij indirect (als verhaal) waren voorgehouden, niet worden beschouwd als vruchten van de vergiftigde boom. De boom is immers niet vergiftigd. 24.1. Onder 4 wordt als middelonderdeel opgevoerd: "Het diverse hiervoor gestelde leidt er voorts toe dat rov. 7 en 8 aldus bezien evenzeer rechtens onjuist en/of althans niet concludent zijn voorzover zij (mede) zijn gebaseerd op de observatie en/of daarop voortbouwende rapportages en getuigenverklaringen." 24.2. Deze klacht heeft als uitgangspunt dat van de klachten opgesomd onder 3.1 tot en met 3.7 er tenminste een gegrond is. Naar mijn mening is dat niet het geval, wat meebrengt dat de klacht niet kan slagen. 24.3. Voor zover de klacht zou pretenderen ook een zelfstandige betekenis te hebben, voldoet zij niet aan de eisen die aan een middel(onderdeel) in civiele zaken moeten worden gesteld. Ik kan er niet uit lezen in hoeverre de rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8 op zelfstandige gronden worden aangevallen. Ik kom nu tot de slotsom dat het middel in al zijn onderdelen en klachten niet kan slagen en concludeer daarom tot verwerping van het beroep. Noot 1: 1. Bij haar optreden terzake van sociale grondrechten is de overheid gebonden aan de grenzen haar gesteld door de klassieke grondrechten. Maatregelen om fraude met uitkeringen (in dit geval wegens arbeidsongeschiktheid van gewezen zelfstandigen) tegen te gaan moeten in beginsel de privacy ontzien. Daarover handelt bovenstaande beschikking. De rechtsvraag is echter versmald en vooral toegespitst op de vermeende disproportionaliteit en daarmee op de onrechtmatigheid van het gebruik van technische apparatuur bij observatie. Allereerst dient te worden vastgesteld of de permanente opstelling van een - op de woning gerichte - camera geplaatst door sociale rechercheurs een inbreuk op het privé-leven vormt. Dat wordt i.c. stilzwijgend aangenomen. Sinds de uitspraak over de "bespiede Edamse bijstandsmoeder" (HR 9 jan. 1987, NJ 1987, 928) staat dat wel vast. Bij die gelegenheid werd het doorgeven van gegevens verkregen door gewone zintuiglijke waarneming en afkomstig van een privé-persoon als inbreuk van het privé-leven aangemerkt. In beginsel valt de oervorm van wat thans "sociale controle" heet zo onder de inbreuken. Overigens beschouwt de Europese Commissie het nemen van foto's (in casu tijdens een demonstratie) niet als een inbreuk met als redengeving dat voor het maken van de opnamen de woning van betrokkene niet werd betreden (Appl. 152225/89 Friedl/Oostenrijk, Rapport van 19 mei 1994 § 49; zie echter EHRM 21 jan. 1995 Friedl/Oostenrijk A 305-B (zaak na schikking - o.a. inhoudende vernietiging van de foto's - van de rol geschrapt)(zie hierover T. Prakken, NJB 1995 p. 833)). Een andere benadering was ook denkbaar geweest. Men zou kunnen veronderstellen dat degene die aanspraak maakt op bijstand in verband daarmee afstand doet van zijn grondrecht. Dat is bij het recht op privé-leven niet gebruikelijk. 2. Voor de rechtvaardiging van de inbreuk moet worden nagegaan of deze wettig was en binnen proporties is gebleven. De Hoge Raad onderzoekt in r.o. 3.5 of de beperking van de privacy "in accordance with the law" (zie art. 8 lid 2 EVRM) was en neemt aan dat de Rechtbank de wettigheid heeft willen baseren op art. 141 Sv. Dit lijkt een verschrijving, aangezien het i.c. om buitengewone opsporingsambtenaren (sociale rechercheurs) gaat, die in art. 142 Sv als opsporingsbevoegd worden aangewezen. Het EVRM eist voor de wettelijkheid van een inbreuk een zekere precisie ("foreseeability") (zo EHRM 26 april 1979, Sunday Times/VK A 30; NJ 1980, 146 § 49). Klaarblijkelijk voldeed de algemene bevoegdheid van de artt. 141 e.v. Sv daaraan. Op dit punt is de controle van het Europese Hof wisselend en soms minder strikt dan die van de Commissie (zie EHRM 24 maart 1992 Open Door Counselling Ltd/Ierland A 246, NJ 1993, 544 § 59). In verband met bijvoorbeeld de bevoegdheid tot aftappen van telefoons - een inbreuk op art. 8 - is het Hof streng: "the law must indicate the scope of any such discretion conferred on the competent authorities and the manner of its exercise with sufficient clarity, having regard to the legitimate aim of the measure in question, to give the individual adequate protection against arbitrary interference." (EHRM 2 aug. 1984 Malone/VK A 82, NJ 1988, 534 § 68). In een andere zaak laakt het Hof als gebreken in het Franse procesrecht: "Nothing obliges a judge to set a limit on the duration of telephone tapping. Similarly unspecified are the procedure for drawing up the summary reports containing intercepted conversation; the precautions to be taken in order to communicate the recordings intact and in their entirety for possible inspection by the judge ... and by the defence;" (EHRM 24 april 1990 Kruslin/Frankrijk A 176; NJ 1991, 523 § 35). Natuurlijk kan observatie niet op één lijn worden gesteld met het aftappen van telefoons, waarvoor trouwens de specifieke regeling van artt. 125f e.v. Sv geldt. Niettemin was, gelet ook op de overige grieven, een uitdrukkelijke overweging over de precisie van de wettelijke grondslag voor de inbreuk eleganter geweest. 3. Op art. 10 GrW over de persoonlijke levenssfeer is géén beroep gedaan. Dat is opmerkelijk. Zoals bekend werd bij de herziening van de Grondwet van 1983 en ook al eerder in de doctrine bezwaar gemaakt tegen beperking van grondrechten op grond van zogenaamde "blanketbepalingen" (zie A-G Langemeijer bij HR 28 nov. 1950, NJ 1951, 138; M.C.B. Burkens, Beperking van grondrechten, Deventer 1971 p. 47; verg. idem, Algemene leerstukken van grondrechten naar Nederlands constitutioneel recht, Zwolle 1989 p. 125). Zoals gezegd nemen de rechterlijke instanties en ook het OM en partijen kennelijk aan dat opsporingshandelingen als de onderhavige kunnen steunen op algemene bepalingen als de artt. 141 e.v. Sv. N.m.m. gaat het evenwel om blanketbepalingen. Zij vermelden wel wie opsporingsbevoegdheid bezitten, maar geven geen aanduiding van aard en inhoud van die bevoegdheid en zwijgen bijvoorbeeld over de eis van verdenking (zie Y. Buruma, De strafrechtelijke handhaving van bestuurswetten, Arnhem 1993 p. 201). Bovendien ontbreekt met betrekking tot de opsporingsbevoegdheid van art. 142 Sv het magistratelijk toezicht. Indien men niettemin een dergelijke opsporingsbevoegdheid stoelt op een zodanig algemene wettelijke bepaling dan lijkt dat op een algemene beperking, welke de grondwetgever van 1983 eveneens zoveel mogelijk wilde vermijden (zie over algemene en bijzondere beperkingen van art. 10 GrW laatstelijk Rb Roermond 3 jan. 1995, AB 1995, 168). In beginsel staat de Grondwet alleen bijzondere beperkingen toe die dan moeten berusten op daartoe specifiek geschreven (grond-)wetsbepalingen. Wanneer in de toekomst in een soortgelijk geval wél een beroep op art. 10 GrW zou worden gedaan, zou ook uit dien hoofde een rechtsoverweging over de specificiteit van de wetgeving wenselijk zijn. 4. Nu de wettelijkheid van de inbreuk geen probleem blijkt, had aan kunnen worden gegeven om welk in art. 8 lid 2 genoemd rechtsgoed het ging bijvoorbeeld "de voorkoming van strafbare feiten" of "het economisch welzijn van het land". Dat gebeurt niet; slechts de evenredigheid van de inbreuk komt nog ter sprake. Omdat het cassatiemiddel dit punt had verengd tot observatie met mechanische hulpmiddelen, acht de Hoge Raad het voldoende, dat de Rechtbank het had verworpen met de constatering van feitelijke aard dat op deze wijze niet méér kon worden waargenomen dan hetgeen een lijfelijk aanwezige opsporingsambtenaar vanaf dezelfde plaats had kunnen waarnemen. Dankzij deze gelijkstelling zijn in één keer de eigenaardigheden van mechanische observatie, zoals de duur en de permanentie ervan en de koppeling met registratie geëcarteerd. Dit laatste waarschijnlijk mede, omdat niet het beeldmateriaal aan de rechter werd overgelegd maar de rechercheurs daarover onder ede hadden verklaard, hetgeen weer vragen oproept over de verhouding tot art. 6 EVRM (een eerlijk proces) (zie hierover nader J. Naeyé Hand. NJV 1993-I p. 274-276). Met verwerping van de grief over disproportionaliteit wordt ook de vraag overbodig of, indien de bewijsgaring onrechtmatig was geweest, het bewijs zelf daarmee ook ontoelaatbaar was geworden. Dit komt wel aan de orde in HR 29 maart 1994, NJ 1994, 577 m.nt. Sch. EAA Noot 2: 1. Van onrechtmatig verkregen bewijs is in deze zaak geen sprake. Zie met name r.o. 3.5, waarover in de eerste plaats bovenstaande noot van collega Alkema. 2. Aandacht vraagt vanuit het burgerlijk (proces)recht wel het volgende. De toets aan art. 8 EVRM wordt i.c. doorstaan, omdat er een strafprocesrechtelijke grondslag voor de wijze van bewijsvergaring aanwezig wordt geacht (die van art. 141 e.v. Sv). Het enkele feit dat het bewijsmateriaal vervolgens gebruikt wordt in een andere dan strafrechtelijke procedure, maakt het niet alsnog onrechtmatig verkregen (vgl. r.o. 3.5, 3e al. i.f.). Dit sluit niet geheel uit dat bewijsvergaring in relatie tot het procesrechtelijk doel daarvan wel onrechtmatig kan zijn en dat dus bewijsvergaring die bezien vanuit het strafprocesrecht door de beugel kan in het civiele proces toch als onrechtmatig verkregen zal moeten worden aangemerkt. Daarvoor zullen dan wel bijkomende omstandigheden nodig zijn. 3. Bewijs kan ook ondanks de omstandigheid dat het rechtmatig is verkregen onrechtmatig zijn: niet de verkrijging van het bewijs maar het gebruik daarvan is dan laakbaar. Omstandigheden die hierop in deze zaak zouden kunnen duiden, zijn echter niet vastgesteld. Omgekeerd kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs toch rechtmatig zijn. Ook die situatie is i.c. niet aan de orde. Zie hiervoor bijv. HR 7 februari 1992 (Slempkes/Nool), NJ 1993, 78 en HR 12 februari 1993 (W/Gem. Spijkenisse), NJ 1993, 599 en andere bronnen vermeld in mijn noten onder die arresten. 4. Volgens r.o. 3.7 handelt de rechter niet in strijd met het beginsel van "fair trial" (art. 6 EVRM) als hij zijn beslissing baseert op een rapport dat op zijn beurt weer berust op een selectie van op zichzelf niet (voor rechter en belanghebbende partij) controleerbaar beeldmateriaal. De Hoge Raad argumenteert deze opvatting door de casus te vergelijken met het geval dat gerapporteerd wordt zonder technisch hulpmiddel. Meer in het algemeen lijkt het niet ontoelaatbaar als een rechter zijn beslissing baseert op bewijsmateriaal dat berust op ander, op zichzelf niet voor rechter en belanghebbende procespartij controleerbaar bewijsmateriaal. Waar het op aankomt, is de vraag of eerstgenoemd materiaal betrouwbaar is (r.o. 3.7). Aldus gaat het om een kwestie van bewijswaardering, die in beginsel is voorbehouden aan de feitelijke rechter. Zo beschouwd past de beslissing van de Hoge Raad in de lijn van zijn eerdere jurisprudentie over de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen. Zie bijv. in het kader van het leerstuk onrechtmatig bewijs r.o. 3.5 van HR 16 oktober 1987 (Driessen/Van Gelder), NJ 1988, 850 m.nt. EAA. De Hoge Raad geeft zo veel mogelijk bewijsmiddelen een kans (vgl. art. 179 lid 1 Rv, dat een open systeem van bewijsmiddelen kent). De ruimte die de feitelijke rechter aldus krijgt, is echter niet onbeperkt. Naar gelang een bewijsmiddel minder betrouwbaar voorkomt, zal het bij de bewijswaardering ook minder effect sorteren. HJS Voetnoten: Zie ook M. Kremer in TCR 1995/2, p. 21; red.