NJ 1993/78 -------------------------------------------------------------------------------- HOGE RAAD 7 februari 1992, nr. 14620 (Mrs. Martens, De Groot, Haak, Davids, Heemskerk; A-G Asser; m.nt. HJS) RvdW 1992, 47 Rv art. 179; BW (oud) art. 1416 [Essentie] "Onrechtmatig verkregen bewijs" in het burgerlijk proces. Actie wegens belediging; vervaltermijn. Door prive-detective zonder toestemming en medeweten gesprekspartner opgenomen telefoongesprekken. Volgens HR 16 okt. 1987, NJ 1988, 850 wettigt de omstandigheid dat een telefoongesprek zonder toestemming en/of medeweten van een der gesprekspartners op een band is opgenomen, slechts onder bijkomende omstandigheden de slotsom dat in een burgerlijk geding tegen die gesprekspartners de opname niet mag worden gebruikt als bewijs van de inhoud van het gesprek. Die omstandigheden niet aanwezig. Geen sprake van dat de opname heeft te gelden als jegens de wederpartij "onrechtmatig verkregen bewijs". Rechtbank had de vervaltermijn van art. 1416 BW (oud), die van openbare orde is, ambtshalve toe te passen. Degene die rechtsvordering terzake van belediging instelt heeft bij het stellen van zijn gedingstukken, daarmee rekening te houden. Door rechtbank gehanteerd vermoeden. [Tekst] Emilie Johanna Slempkes, te Huissen, eiseres tot cassatie, adv. mr. S.A. Boele, tegen Cornelia Catharina Nool, te Arnhem, verweerster in cassatie, adv. mr. R.A.A. Duk. Rechtbank: II. De grieven De grieven die Nool tegen de vonnissen van de kantonrechter heeft aangevoerd luiden als volgt: (...) Grief 7 Ten onrechte overweegt de kantonrechter in zijn vonnis d.d. 9 januari 1989 dat met de bespreking van de relevante passages van de afgelegde getuigenverklaringen voldoende is komen vast te staan dat Nool jegens Slempkes grievende uitlatingen heeft gedaan die als beledigend moeten worden aangemerkt. Grief 8 Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat uit door de getuigen afgelegde verklaringen en de overgelegde stukken, kan worden afgeleid dat de uitlatingen door Nool zijn gedaan in 1983 met het oogmerk om Slempkes te beledigen. Grief 9 Ten onrechte gaat de kantonrechter eraan voorbij dat Nool de inhoud van de ter griffie gedeponeerde cassetteband wel degelijk heeft betwist en gemotiveerd heeft bestreden. Grief 10 Ten onrechte heeft de kantonrechter geen acht geslagen op het verweer van Nool dat de ter griffie van het kantongerecht gedeponeerde bandopname, sowieso niet kan gelden als rechtmatig verkregen bewijs. Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat naar zijn oordeel van onrechtmatig verkregen bewijs geen sprake is ten aanzien van de bandopname. Grief 11 Ten onrechte stelt de kantonrechter in het vonnis d.d. 9 jan. 1989 sub 19, dat "het vorenstaande kan dan ook tot geen andere conclusie leiden dan dat de primaire vordering van Slempkes voor toewijzing gereed ligt. Nu ook aannemelijk is dat Slempkes dientengevolge schade heeft geleden". Grief 12 Ten onrechte heeft de kantonrechter Nool veroordeeld tot vergoeding van Slempkes terzake van door Slempkes geleden materiele en immateriele schade waarvan de omvang nog niet bepaalbaar is. Ten onrechte heeft de kantonrechter het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. III. De beoordeling (...) Met betrekking tot de grieven 7 en 8 6.1. Anders dan Nool in het eerste deel van de toelichting op grief 7 stelt is voldoende duidelijk dat de kantonrechter niet zijn bespreking van de getuigenverhoren als bewijsmiddel heeft gebruikt, maar die getuigenverklaringen zelf. In zoverre faalt grief 7 dus. 6.2. Het overige gedeelte van grief 7 en grief 8 betreffen de vraag of de kantonrechter terecht tot het oordeel is gekomen dat bewezen is dat Nool in 1983 uitlatingen heeft gedaan met het oogmerk om Slempkes te beledigen. 6.3. Uit de door Slempkes aan haar eis ten grondslag gelegde stellingen blijkt dat zij aanvoert dat Nool zich beledigend jegens haar zou hebben uitgelaten: A. in de periode van 1978 t/m augustus 1983 op de rontgenafdeling van het Gemeenteziekenhuis in Arnhem en tegen de familie Willemsen en Zuidijk; B. tegenover de prive-detective Teerink in telefoongesprekken in november 1983. 6.4. Ten aanzien van de onder 6.3B bedoelde uitlatingen geldt dat gesteld noch gebleken is dat deze zijn gedaan elders of anders dan in telefoongesprekken met Teerink. 6.5. Nool betwist deze uitlatingen te hebben gedaan. 6.6. Het enige bewijsmiddel van deze uitlatingen is het door Slempkes overgelegde cassettebandje, waarop de grieven 9 en 10 betrekking hebben. In die grieven stelt Nool dat het bandje niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Zij stelt dat het een falsificatie is, omdat zij de betreffende telefoongesprekken niet heeft gevoerd. Verder stelt zij dat de bandopname om meerdere redenen onrechtmatig verkregen bewijs oplevert. Voor de beoordeling van de vraag of deze bandopname als bewijsmiddel gebruikt mag worden zal de rechtbank er veronderstellenderwijze van uitgaan dat daarop telefoongesprekken met Nool, als door Slempkes gesteld, staan. 6.7. Voorop moet staan dat Nool deze telefoongesprekken, wat haar betreft, in de prive-sfeer heeft gevoerd, dat zij geen toestemming heeft gegeven deze (op een band) op te nemen en ook niet wist dat Teerink dat deed; zij heeft dit onbetwist gesteld. 6.8. Het staat vast dat Slempkes in het bezit van de band is gekomen via de door haar ingeschakelde prive-detective Zuidema, die deze band bij een bezoek aan Teerink van diens kantoor heeft meegenomen. Partijen twisten over de vraag of dat meenemen met of zonder toestemming van Teerink is gebeurd. 6.9. Mede op grond van de verklaring die Zuidema in eerste instantie als getuige heeft afgelegd, kan er van uitgegaan worden dat Zuidema als prive-detective door Slempkes was ingeschakeld, dat hij na een gesprek met Slempkes (die over Teerink had geklaagd) meer wilde weten over zijn collega Teerink, dat Zuidema toen contact heeft gelegd met Teerink en bij het daarop gevolgde gesprek niet zijn werkelijke bedoelingen aan Teerink heeft vermeld, maar Teerink heeft gezegd dat hij een onderzoek instelde naar Slempkes, waarbij/voor hij Teerinks hulp of informatie wilde hebben, en dat dit onderzoek (mede) nodig was omdat Slempkes een vrouw in Maastricht lastig viel - hetgeen een onwaar, door Zuidema verzonnen verhaal was -. Zuidema heeft Slempkes naar zijn zeggen tegenover Teerink zwart gemaakt om hem te provoceren. 6.10. Op zichzelf zou Nool al bezwaar kunnen maken tegen eventueel gebruik van de band door haar gesprekspartner Teerink onder de in 6.8 genoemde omstandigheden. In dit geval komt daarbij dat Nool voor deze gesprekken was benaderd door Teerink naar aanleiding van een bezoek van Zuidema aan Teerink en dat Zuidema - die in deze deels op eigen initiatief handelde maar ook in verband met een opdracht van Slempkes - de band ofwel zonder diens toestemming van Teerink heeft weggenomen of wel onder valse voorwendsels van hem heeft verkregen. Bij de overhandiging van de band aan Slempkes heeft Zuidema haar zijn "taktiek" tegenover Teerink verteld. 6.11. Onder deze omstandigheden is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Omstandigheden die de vastlegging van telefoongesprekken of het gebruik van de band in deze procedure zouden kunnen rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken. In het bijzonder de ernst van de feiten die Slempkes ermee wil bewijzen levert niet zo'n rechtvaardigingsgrond op. Ook is hier geen sprake van een situatie waarin geen andere manier bestaat om bewijs te leveren van de gestelde feiten. De overige door Nool aangevoerde gronden waarom de bandopname buiten gebruik moet blijven, kunnen hierna onbesproken blijven. 6.12. Nu er verder geen bewijs is ten aanzien van de in 6.3 onder B bedoelde uitlatingen, is de daarop gebaseerde stelling dat Nool haar beledigd heeft niet bewezen en moet de vordering in zoverre worden afgewezen. Bovendien blijkt uit het voorgaande dat grief 10 slaagt en Nool bij grief 9 verder geen belang heeft. 7.1. Voor de beantwoording van de vraag of de kantonrechter terecht tot het oordeel is gekomen dat mondelinge belediging bewezen is, moet dan nu beoordeeld worden of dat ten aanzien van de onder 6.3A bedoelde uitlatingen is komen vast te staan. 7.2. Er moet worden vooropgesteld dat, in verband met de vervaltermijn van art. 1416 BW, slechts uitlatingen gedaan vanaf ongeveer een jaar voor de datum van de dagvaarding, 25 sept. 1984, grond voor een rechtsvordering op grond van belediging kunnen zijn. Gelet op de stelling van Slempkes dat de beledigende uitlatingen vanaf 1978 systematisch, wanneer Nool maar kon en tegen wie ze maar kon, dag in dag uit, jaren achtereen zijn gedaan, moet er namelijk - nu het tegendeel niet of onvoldoende gesteld of gebleken is - van uit worden gegaan dat er geen (noemenswaardige) tijdspanne gelegen is tussen de datum waarop de gestelde beledigende uitlatingen zouden zijn gedaan en die waarop deze aan Slempkes bekend waren. Nadat de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 27 okt. 1986 Slempkes had gevraagd mee te delen op welk tijdstip zij vernam dat Nool de gestelde uitlatingen deed aan anderen dan Teerink heeft Slempkes niet meer gesteld dan dat zij "voor het eerst omstreeks juni en november 1978" zulke berichten ontving. 7.3. De enige van de door de kantonrechter gehoorde getuigen die heeft verklaard dat zij beledigende uitlatingen van Nool omtrent Slempkes heeft gehoord, is Marije de Jong. De uitlatingen waarop zij doelt werden gedaan op de rontgenafdeling van het Gemeenteziekenhuis. Deze getuige heeft echter slechts tot en met augustus 1983 in dat ziekenhuis gewerkt. Gesteld noch gebleken is dat haar verklaring betrekking heeft op gebeurtenissen van na die tijd. Het door deze getuige verklaarde kan dus niet bijdragen tot het bewijs. 7.4. Slempkes heeft in hoger beroep aangeboden haar stellingen nader te onderbouwen door alsnog mevrouw Rouw als getuige te doen horen, alsmede zo nodig partijen zelf. 7.5. Partijen zelf kunnen in geen geval als getuigen worden gehoord, nu in deze zaak het bewijsrecht van toepassing is zoals dat tot 1 april 1988 gold. De kantonrechter heeft immers al voor die datum getuigen gehoord. 7.6. Ten aanzien van het (wederom) als getuige horen van mevrouw Rouw overweegt de rechtbank het volgende: Uit Slempkes' stellingen in eerste aanleg blijkt niet dat zij op enige wijze rekening heeft gehouden met de vervaltermijn van art. 1416 BW. De periode waarin de aan haar eis ten grondslag gelegde beledigingen zouden zijn geuit is niet zo aangegeven dat daar met het oog op die termijn conclusies aan verbonden kunnen worden. Wellicht beoogt zij in hoger beroep haar stellingen daarop wel toe te spitsen, nu zij stelt dat de beledigingen sinds 1978 hebben plaatsgehad "met een climax in 1983/1984". Deze stelling is echter door geen enkele feitelijkheid onderbouwd. Slempkes stelt dat dit uit de getuigenverklaringen zou blijken, maar dat is geenszins het geval. Slempkes heeft geen enkel concreet feit of concrete omstandigheid gesteld die sedert september 1983 zou hebben plaatsgehad en die door bewijslevering bevestigd zou kunnen worden. De enkele toevoeging van Slempkes aan haar aanbod om mevrouw Rouw als getuige te doen horen dat deze laatste tot na 1983 werkzaam is geweest op de afdeling van het ziekenhuis waar Nool werkte, is onvoldoende om daarin zo'n concreet feit te lezen. Waar een getuigenverklaring er niet toe dient om feiten te verschaffen die alsnog de grondslag van de vordering zouden moeten opleveren, als die feiten niet eerst gesteld zijn, en het bewijsaanbod in dit geval daar wel op neerkomt, moet het aanbod om mevrouw Rouw als getuige te doen horen worden gepasseerd; ook overigens is dat aanbod niet gespecificeerd. 7.7. Er is derhalve niet bewezen dat Nool Slempkes in de relevante periode mondeling in het openbaar heeft beledigd door uitlatingen als bedoeld onder 6.3.A. 7.8. De grieven 7 en 8 slagen dus. De kantonrechter is ten onrechte tot zijn bewezenverklaring terzake van belediging en tot toewijzing van de primaire vordering gekomen. 8.1. Daarmee komt de subsidiaire (grondslag van de) vordering aan de orde. 8.2. Ten aanzien van deze, op onrechtmatige daad gebaseerde, vordering heeft de kantonrechter terecht en op goede gronden overwogen dat hij onbevoegd was. De rechtbank kan de vordering (op deze grondslag) dan ook niet als rechter in hoger beroep beoordelen, maar zal de zaak dienaangaande naar zichzelf verwijzen, teneinde daarop in eerste instantie recht te doen. Zeker nu er pleidooien zijn gehouden, bestaat er geen aanleiding om partijen nog tot nadere conclusiewisseling toe te laten, waarom zij overigens ook niet hebben gevraagd. 8.3. Aan de subsidiaire stelling van Slempkes dat Nool zich jegens haar heeft schuldig gemaakt aan onrechtmatige daad, liggen de zelfde feiten ten grondslag als aan de primaire (grondslag van de) vordering. Ook hier moet dus weer onderscheiden worden tussen de hiervoor onder 6.3A en B genoemde uitlatingen. 9.1. Ten aanzien van de uitlatingen als bedoeld in 6.3 onder A geldt dat deze, indien bewezen, in de (opvatting en) omschrijving van Slempkes belediging in de zin van boek 2, titel XVI Sr zouden opleveren en dat daarop dus de art. 1408 e.v. BW, met uitsluiting van art. 1401 BW van toepassing zijn. De feitelijke grondslag van deze vordering is immers geen andere dan belediging in genoemde zin. Dat het oogmerk tot beledigen zou hebben ontbroken, zoals Nool stelt, verwerpt de rechtbank in deze zin: Gelet op de aard en de inhoud van de uitlatingen die Slempkes aan Nool verwijt zou dat oogmerk met die uitlatingen zelf (indien bewezen) gegeven zijn. 9.2. Dit betekent dat ten aanzien van deze uitlatingen ook de vordering op de subsidiaire grondslag door de vervaltermijn van art. 1416 BW getroffen wordt. Ten aanzien van deze uitlatingen kan Slempkes dus niet in haar vordering worden ontvangen. 9.3. Ten aanzien van de in 6.3 onder B bedoelde uitlatingen geldt wat hiervoor onder 6.6 t/m 6.12 is overwogen: deze zijn niet bewezen. In zoverre kan Slempkes' vordering ook op de subsidiaire grondslag niet worden toegewezen. 10. Uit het voorgaande volgt dat de tussenvonnissen van 27 okt. 1986 en 26 okt. 1987 kunnen worden bekrachtigd, maar dat het eindvonnis van de kantonrechter van 9 jan. 1989 moet worden vernietigd, en dat de vorderingen van Slempkes moeten worden afgewezen. Slempkes zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties. (enz.). Cassatiemiddel: Schending van het recht en verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat de rechtbank in het bestreden vonnis heeft overwogen en recht gedaan, gelijk in dit vonnis omschreven, ten onrechte om de navolgende, zonodig mede in onderlinge samenhang te beschouwen redenen: Inleiding 0.1. Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om de vraag of (bewezen is dat) verweerster in cassatie (verder: "Nool") uitlatingen heeft gedaan met het oogmerk om eiseres tot cassatie (verder: "Slempkes") te beledigen. Slempkes vordert op grond daarvan vergoeding van materiele en immateriele schade (op te maken bij staat), waarbij zij zich primair beroept op mondelinge belediging (art. 1408 BW). Subsidiair heeft Slempkes haar vordering gebaseerd op onrechtmatige daad. Zie r.o. 2.1 vonnis a quo. 0.2. De kantonrechter heeft in zijn eindvonnis van 9 jan. 1989 de primaire vordering toegewezen. In appel heeft de rechtbank het eindvonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van Slempkes alsnog afgewezen. De rechtbank is tot dit oordeel - voor zover in cassatie van belang - gekomen deels op grond van de overweging dat sprake zou zijn van "onrechtmatig verkregen bewijs" dat de rechtbank om die reden buiten beschouwing heeft gelaten, deels op grond van toepassing van de vervaltermijn van art. 1416 BW. Op deze twee aspecten van het bestreden vonnis richten zich de middelonderdelen 1 resp. 2. Middelonderdeel 1 1.1. In r.o. 6.3 heeft de rechtbank overwogen dat uit de door Slempkes aan haar eis ten grondslag gelegde stellingen blijkt dat zij aanvoert dat Nool zich beledigend jegens haar zou hebben uitgelaten: A. in de periode van 1978 tot en met augustus 1983 op de rontgenafdeling van het Gemeenteziekenhuis in Arnhem en tegenover de familie Willemsen en Zuidijk; B. tegenover de prive-detective Teerink in telefoongesprekken in november 1983. Slempkes heeft als bewijs van de onder B bedoelde uitlatingen een cassettebandje overgelegd, dat gemaakt is van de bedoelde telefoongesprekken tussen Teerink en Nool. Dit cassettebandje is op 21 april 1986 ter griffie van het kantongerecht gedeponeerd. De rechtbank heeft de inhoud van dit bandje niet tot het bewijs willen laten bijdragen, op grond van de overweging dat sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs. Dit middelonderdeel klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd is. 1.2. In r.o. 6.7 stelt de rechtbank (o.m.) voorop dat Nool deze telefoongesprekken wat haar betreft in de prive-sfeer heeft gevoerd en dat Nool dit onbetwist zou hebben gesteld. Dit oordeel van de rechtbank is evenwel onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft omtrent de feitelijke inhoud van de opgenomen gesprekken niets vastgesteld - niet blijkt dat de rechtbank de bandopname zelf heeft beluisterd - zodat onduidelijk is op welke grond de rechtbank tot de conclusie heeft kunnen komen dat de gesprekken wat Nool betreft in de prive-sfeer werden gevoerd. Evenmin blijkt uit de stukken dat Nool zich erop zou hebben beroepen dat de gesprekken in de prive-sfeer zijn gevoerd, zodat de overweging van de rechtbank dat Nool zulks onbetwist heeft gesteld niet begrijpelijk is. 1.3. In r.o. 6.10 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat Nool voor deze gesprekken was benaderd door Teerink naar aanleiding van een bezoek van Zuidema aan Teerink. Aldus heeft de rechtbank evenwel in strijd met het recht aan haar oordeel feiten ten grondslag gelegd die door geen der partijen waren gesteld en die ook overigens geen enkele steun vinden in de stukken van het geding. Uit niets blijkt immers dat het bezoek van Zuidema aan Teerink de aanleiding was voor de telefonische benadering door Teerink van Nool. 1.4. Blijkbaar is de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs (en dat het bewuste cassettebandje om die reden als bewijsmiddel buiten beschouwing moet worden gelaten) uitgegaan van de in r.o. 6.7 t/m 6.11 gereleveerde omstandigheden. Ten onrechte evenwel nu deze omstandigheden noch ieder afzonderlijk noch in onderling verband ertoe kunnen leiden dat een bewijsmiddel als waarvan hier sprake is buiten beschouwing moet worden gelaten, ook niet indien zou moeten worden aangenomen dat Nool deze gesprekken wat haar betreft in de prive-sfeer heeft gevoerd en/of dat Nool voor deze gesprekken was benaderd door Teerink naar aanleiding van een bezoek van Zuidema aan Teerink. In beginsel zijn immers alle bewijsmiddelen toegestaan en omstandigheden die tot de conclusie zouden nopen dat het bewuste cassettebandje niet als bewijsmiddel zou zijn toegestaan heeft de rechtbank niet vastgesteld, althans heeft zij haar oordeel ter zake onvoldoende gemotiveerd. Deze (algemene) klacht wordt in het navolgende nader uitgewerkt. 1.5. De rechtbank spreekt weliswaar van "onrechtmatig verkregen bewijs", doch zij geeft geen althans onvoldoende inzicht in de vraag of in haar gedachtengang een of meer van de betrokken personen (bij het verkrijgen van het bewijs) onrechtmatig hebben gehandeld, en zo ja wie dat zijn, jegens wie onrechtmatig zou zijn gehandeld en op welke wijze. Voor zover het vonnis van de rechtbank aldus gelezen moet worden dat de cassetteband als bewijsmiddel buiten beschouwing is gelaten omdat deze op onrechtmatige wijze zou zijn verkregen, heeft de rechtbank miskend dat de omstandigheid dat bewijs op onrechtmatige wijze is verkregen op zichzelf niet voldoende is om het gebruik van dat bewijs in het proces uit te sluiten. Van bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden is (onvoldoende) gebleken. 1.6. Voor zover de rechtbank van mening mocht zijn dat Slempkes jegens Nool onrechtmatig heeft gehandeld al dan niet bij het verkrijgen van het onderhavige bewijsmiddel, heeft de rechtbank ten onrechte onrechtmatig handelen van Slempkes aangenomen nu in cassatie moet worden uitgegaan van een of meer van de volgende omstandigheden: a. niet vastgesteld is dat Slempkes hetzij direct hetzij indirect heeft bewerkstelligd dat de gesprekken tussen Teerink en Nool op band werden opgenomen; b. niet is vastgesteld dat Slempkes wist dat een dergelijke bandopname bestond voordat Zuidema deze aan haar overhandigde resp. dat Slempkes Zuidema er op enigerlei wijze toe zou hebben aangezet de bandopname te verkrijgen; c. niet is vastgesteld dat Slempkes enig aandeel heeft gehad in de wijze waarop Zuidema Teerink benaderde, met name niet met betrekking tot de door Zuidema aan Teerink opgegeven reden voor zijn optreden (Zuidema zou naar zijn zeggen een onderzoek naar Slempkes instellen waarbij/voor hij Teerinks hulp en informatie wilde hebben en dit onderzoek zou mede nodig zijn omdat Slempkes een vrouw in Maastricht lastigviel): de rechtbank spreekt hier zelf van een door Zuidema verzonnen verhaal, waarbij de rechtbank niet meer heeft overwogen dan dat Zuidema bij de overhandiging van de band aan Slempkes haar zijn "tactiek" tegenover Teerink heeft verteld; d. Zuidema handelde, zoals de rechtbank vaststelt in r.o. 6.10, in deze niet alleen in verband met een opdracht van Slempkes maar ook (deels) op eigen initiatief. 1.7. Indien de rechtbank geen onrechtmatig handelen (van wie dan ook en al dan niet bij het verkrijgen van het onderhavige bewijsmiddel) aan haar oordeel ten grondslag mocht hebben gelegd, dan wel onrechtmatig handelen anders dan van Slempkes jegens Nool, heeft de rechtbank miskend dat alsdan niet gesproken kan worden van onrechtmatig verkregen bewijs dat Slempkes niet in een civiel rechtsgeding tegen Nool als bewijsmiddel zou mogen gebruiken, althans niet nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die wellicht tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Voor uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs is in beginsel geen plaats indien de wijze van verkrijging niet onrechtmatig was jegens Nool en/of indien bij de verkrijging niet onrechtmatig is gehandeld door Slempkes. 1.8. Voor zover de rechtbank haar oordeel dat het onderhavige bewijsmiddel bij de bewijsvoering door Slempkes niet in aanmerking wordt genomen heeft gegrond op strijd met de goede procesorde dan wel misbruik van procesrecht, is haar oordeel in strijd met het recht dan wel onvoldoende gemotiveerd, mede gelet op (een of meer van) de onder 1.6 genoemde omstandigheden. Dat Nool niet in voldoende mate de gelegenheid zou hebben gehad zich tegen de (inhoud van de) bewuste bandopname te verweren is niet gesteld of gebleken. 1.9. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat hetzij de vastlegging op band van de betreffende gesprekken tussen Teerink en Nool hetzij de openbaarmaking daarvan inbreuk maakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Voor zover de rechtbank haar oordeel wel op deze beide overwegingen (of op een daarvan) mocht hebben gegrond, heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten de bandopname zelf te beluisteren teneinde zich over de inhoud daarvan een oordeel te kunnen vormen en heeft zij voorts miskend dat van een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, respectievelijk van een zodanige inbreuk dat deze verhindert dat Slempkes in deze procedure de bewuste bandopname als bewijsmiddel gebruikt, in dit geval niet gesproken kan worden, gelet op een of meer van de volgende omstandigheden: a. er is hier van geen andere openbaarmaking sprake dan aan de rechter in een civiel rechtsgeding; b. omtrent de aard en de mate van intimiteit van de telefoongesprekken heeft de rechtbank niets vastgesteld, met name heeft de rechtbank niet vastgesteld dat de mate van intimiteit zodanig was dat gesproken kan worden van een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; de vaststelling dat Nool de gesprekken voerde in de prive-sfeer, voor zover al juist (zie hierboven onder 1.2), is hiertoe in ieder geval niet voldoende. Daarbij is van belang dat het enkele zonder toestemming van de gesprekspartner op een geluidsband vastleggen van een telefoongesprek nog geen inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer oplevert, maar dat daarvoor bijkomende omstandigheden vereist zijn. Dergelijke bijkomende omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. 1.10. Aan de in dit middelonderdeel 1 geformuleerde klachten doen niet af dat, zoals de rechtbank overweegt in r.o. 6.11, de daarin genoemde omstandigheden of andere omstandigheden die de vastlegging van telefoongesprekken of het gebruik van de band in deze procedure zouden kunnen rechtvaardigen niet gesteld of gebleken zijn. Middelonderdeel 2 2.1. In r.o. 7.2 overweegt de rechtbank dat in verband met de vervaltermijn van art. 1416 BW slechts uitlatingen gedaan vanaf ongeveer een jaar voor de datum van de dagvaarding (25 sept. 1984) grond voor een rechtsvordering op grond van belediging kunnen zijn. Gelet op de stelling van Slempkes dat de beledigende uitlatingen vanaf 1978 systematisch, wanneer Nool maar kon en tegen wie ze maar kon, dag in dag uit, jaren achtereen zijn gedaan, zou er volgens de rechtbank - nu het tegendeel naar haar mening niet of onvoldoende gesteld of gebleken is - van uit moeten worden gegaan dat er geen (noemenswaardige) tijdspanne gelegen is tussen de datum waarop de gestelde beledigende uitlatingen zouden zijn gedaan en die waarop deze aan Slempkes bekend waren. 2.2. Met dit oordeel is de rechtbank evenwel getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd zoals partijen die in hoger beroep hadden getrokken respectievelijk heeft de rechtbank in strijd met het recht ambtshalve feiten aan haar oordeel ten grondslag gelegd die door geen der partijen waren aangevoerd. Noch Nool noch Slempkes heeft immers gesteld dat er geen (noemenswaardige) tijdspanne gelegen is tussen de datum waarop de gestelde beledigende uitlatingen zouden zijn gedaan en die waarop deze aan Slempkes bekend waren. Althans is het oordeel van de rechtbank op dit punt onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd. De stelling van Slempkes dat de beledigende uitlatingen vanaf 1978 systematisch, wanneer Nool maar kon en tegen wie ze maar kon, dag in dag uit, jaren achtereen zijn gedaan leidt niet noodzakelijkerwijs tot de gevolgtrekking dat er geen (noemenswaardige) tijdspanne gelegen is tussen de datum waarop de gestelde uitlatingen zouden zijn gedaan en die waarop deze aan Slempkes bekend waren, althans niet bij gebreke van andere omstandigheden waaromtrent niets gesteld of gebleken is. 2.3. In r.o. 7.3 bespreekt de rechtbank de verklaring van de getuige Marijke de Jong. Op zichzelf terecht stelt de rechtbank daaromtrent vast dat de uitlatingen waarop zij doelt werden gedaan op de rontgenafdeling van het Gemeenteziekenhuis en dat zij slechts tot en met augustus 1983 in dat ziekenhuis heeft gewerkt. Ten onrechte vervolgt de rechtbank echter dat het door deze getuige verklaarde niet kan bijdragen tot het bewijs, omdat gesteld noch gebleken zou zijn dat haar verklaring betrekking heeft op gebeurtenissen van na die tijd. 2.3.1. De rechtbank heeft bij dit oordeel in de eerste plaats miskend dat wil art. 1416 BW toepassing kunnen vinden, vast moet staan dat de aangevoerde beledigende mededelingen door de in dat artikel omschreven vervaltermijn worden getroffen en dat daartoe niet voldoende is dat gesteld noch gebleken is dat deze mededelingen niet door de vervaltermijn worden getroffen. Het is ook niet aan Slempkes aan te tonen dat de door haar gestelde mededelingen niet door de vervaltermijn van art. 1416 BW worden getroffen. Voor zover aan het oordeel van de rechtbank (met name in r.o. 7.6) de opvatting ten grondslag mocht liggen dat degene die een vordering op grond van mondelinge belediging instelt daarbij op zodanig concrete wijze moet aangeven wanneer de beledigende mededelingen zijn gedaan dat de rechter aan de hand daarvan kan beoordelen of de vervaltermijn van art. 1416 BW al dan niet van toepassing is, is de rechtbank uitgegaan van een regel die geen grondslag vindt in het recht. 2.3.2. De rechtbank heeft voorts uit het oog verloren dat criterium bij de toepassing van art. 1416 BW is "de dag dat de daad gepleegd en aan den aanlegger bekend was" (cursivering toegevoegd, SAB). Het enkele feit dat de gebeurtenissen waarop de verklaring van de getuige De Jong betrekking heeft niet dateren van na die tijd (augustus 1983) of dat (r.o. 7.6) Slempkes geen enkel concreet feit of concrete omstandigheden heeft gesteld die sedert september 1983 zouden hebben plaatsgehad, sluit evenwel niet uit dat gebeurtenissen van voor die tijd niet eerst na die tijd aan Slempkes bekend kunnen zijn geworden. Voor zover de rechtbank ook hier tot uitgangspunt mocht hebben genomen dat geen (noemenswaardige) tijdspanne gelegen is tussen de datum waarop de door deze getuige gerelateerde gebeurtenissen (beledigende mededelingen) plaatsvonden en die waarop deze aan Slempkes bekend waren, is het oordeel van de rechtbank onjuist op de hierboven onder 2.2 aangevoerde gronden. Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen Slempkes - heeft bij exploit van 25 sept. 1984 verweerster in cassatie - verder te noemen Nool - te zamen met W. Teerink, wonende te Arnhem, - verder te noemen Teerink - gedagvaard voor de kantonrechter te Arnhem. Zij stelde, kort gezegd, dat gedaagden zich lasterlijk en/of smadelijk over haar hadden uitgelaten, en vorderde: (I) Nool en Teerink te veroordelen tot vergoeding van alle door haar dientengevolge geleden materiele en immateriele schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en (II) Nool en Teerink te veroordelen om binnen 2 dagen na het te wijzen vonnis de door hen jegens haar gedane uitlatingen publiekelijk te herroepen door middel van schriftelijke verklaringen als in de dagvaarding omschreven. Nool en Teerink hebben tegen de vordering verweer gevoerd. Slempkes heeft vervolgens haar eis gewijzigd en aangevuld in dier voege dat zij haar vordering primair baseerde op mondelinge belediging en subsidiair op onrechtmatige daad. Wat de vordering uit onrechtmatige daad betreft beperkte zij haar vordering tot schadevergoeding tot f 5000 zich daarbij wel het recht voorbehoudende elk der gedaagden ter zake van de schade boven dat bedrag alsnog aan te spreken. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 25 november 1985 een inlichtingencomparitie bevolen. Het schriftelijk debat van partijen is daarna voortgezet. Bij tussenvonnis van 27 oktober 1987 heeft de kantonrechter zich bevoegd verklaard kennis te nemen van de primaire vordering, nu deze - na voormelde wijziging van eis - was gebaseerd op mondelinge belediging; ter zake van de subsidiaire vordering overwoog de kantonrechter zich onbevoegd te achten. Zij liet Slempkes toe getuigenbewijs te leveren ter zake van de aan de vordering ten grondslag gelegde uitlatingen. Nadat ter uitvoering van laatstgemeld vonnis aan beide zijden getuigen waren voorgebracht, heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 26 oktober 1987 onder aanhouding van iedere verdere beslissing de reeds gesloten getuigenverhoren aan de zijde van eiseres heropend. Bij eindvonnis van 9 jan. 1989 heeft de kantonrechter Nool en Teerink veroordeeld tot vergoeding van de materiele en immateriele schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Tegen de vier genoemde vonnissen heeft Nool hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank Arnhem. Bij vonnis van 18 okt. 1990 heeft de rechtbank de bestreden tussenvonnissen, gewezen tussen Slempkes en Nool, bekrachtigd, het tussen partijen gewezen eindvonnis vernietigd en de vorderingen van Slempkes tegen Nool alsnog afgewezen. (...) 3. Beoordeling van het middel 3.1. Aan de vordering welke Slempkes in dit, bij dagvaarding van 25 sept. 1984 ingeleid geding tegen Nool heeft ingesteld, heeft zij ten grondslag gelegd dat Nool zich jegens haar beledigend heeft uitgelaten: A. in de periode van 1978 tot en met augustus 1983 op de rontgenafdeling van het Gemeenteziekenhuis in Arnhem en tegen de familie Willemsen en Zuidijk; B. in telefoongesprekken in november 1983 tegenover de prive-detective Teerink. Anders dan de kantonrechter heeft de rechtbank geoordeeld dat Slempkes het bewijs van deze stellingen niet heeft geleverd. Dit oordeel steunt, voor wat betreft de onder A bedoelde uitlatingen daarop dat (1e) in verband met de vervaltermijn van art. 1416 BW (oud) slechts uitlatingen gedaan vanaf ongeveer een jaar voor de inleidende dagvaarding in aanmerking komen en dat (2e) niet is gesteld of gebleken dat de verklaring van de enige getuige die heeft verklaard beledigende uitlatingen van Nool omtrent Slempkes te hebben gehoord, op dit tijdvak betrekking heeft. Voor wat betreft de onder B bedoelde uitlatingen heeft de rechtbank haar oordeel dat deze niet bewezen zijn, daarop doen steunen dat (1e) daarvan geen ander bewijsmiddel aanwezig is dan een door Slempkes overgelegd cassettebandje, dat echter (2e) niet tot bewijs kan dienen omdat het in de omstandigheden van het geval moet worden aangemerkt als "onrechtmatig verkregen bewijs", terwijl omstandigheden die desondanks gebruik van deze band als bewijsmiddel in deze procedure zouden rechtvaardigen, niet zijn gesteld of gebleken. Tegen deze oordelen keert zich het middel: onderdeel 1 valt de beslissing over de uitlatingen onder B, onderdeel 2 die over de uitlatingen onder A aan. De Hoge Raad houdt de volgorde van het middel aan. 3.2. Nool heeft ontkend dat zij de betreffende telefoongesprekken met Teerink heeft gevoerd en daarom primair opgeworpen dat de bandopname een falsificatie is. De juistheid van dit verweer heeft de rechtbank in het midden gelaten: zij is, ter beoordeling van de subsidiaire stelling van Nool dat de bandopname onrechtmatig verkregen bewijs oplevert, veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat daarop "telefoongesprekken met Nool, als door Slempkes gesteld, staan" (r.o. 6.6). Nu de rechtbank omtrent deze telefoongesprekken geen verdere vaststellingen heeft gedaan, verdient opmerking dat Slempkes niet de volledige tekst van de bandopname heeft overgelegd; zij heeft slechts, in eerste aanleg, een lijst overgelegd van de daarin voorkomende, jegens haar beledigende uitlatingen van Nool (van welke lijst de kantonrechter overigens, in appel onbestreden, had vastgesteld dat zij juist was); in hoger beroep heeft Slempkes voorts nog gesteld dat, anders dan Nool in appel had aangevoerd, van uitlokking van deze uitlatingen door Teerink moeilijk kon worden gesproken, mede omdat Nool hem tot twee maal op eigen initiatief had teruggebeld. 3.3. De rechtbank heeft vooropgesteld (r.o. 6.7) dat Nool onbetwist heeft gesteld dat zij Teerink voor het opnemen van deze telefoongesprekken op een band geen toestemming heeft gegeven en ook niet wist dat Teerink dat deed. Blijkbaar als een eigen oordeel, heeft de rechtbank daaraan toegevoegd dat Nool deze gesprekken "wat haar betreft, in de prive-sfeer heeft gevoerd". De tegen deze vooropstelling in het eerste onderdeel onder 1.2 geformuleerde klachten missen feitelijke grondslag voor zover zij uitgaan van een andere lezing van de bestreden overweging, en falen voor zover zij de rechtbank verwijten haar oordeel onvoldoende te hebben gemotiveerd: mede tegen de achtergrond van het door beide partijen voor de rechtbank ter sprake gebrachte arrest van de HR 16 okt. 1987, NJ 1988, 850, moeten de geciteerde woorden zo worden begrepen dat de rechtbank daarmede tot uitdrukking heeft willen brengen dat de gesprekken door de prive-detective Teerink wel, maar door Nool niet "in het zakelijk verkeer" werden gevoerd; dat kon de rechtbank ook zonder op de inhoud van de gesprekken in te gaan uit het omtrent de gesprekken over en weer gestelde afleiden. 3.4. In r.o. 6.10 overweegt de rechtbank dat Nool door Teerink voor deze gesprekken was benaderd naar aanleiding van een bezoek van Zuidema aan Teerink. Onder 1.3 verwijt het onderdeel de rechtbank dusdoende aan haar oordeel feiten ten grondslag te hebben gelegd die door geen der partijen waren gesteld. Dit verwijt mist evenwel feitelijke grondslag, want blijkens het proces-verbaal van de door de kantonrechter gehouden comparitie tot het geven van inlichtingen heeft Slempkes aldaar verklaard: "Mevr. Nool is door Teerink benaderd naar aanleiding van een bezoek van de heer Zuidema." 3.5.1. Daarentegen slaagt de algemene, onder 1.4 geformuleerde en onder 1.5 t/m 1.10 uitgewerkte klacht van het onderdeel dat het oordeel van de rechtbank dat de bandopname onder de door haar vastgestelde omstandigheden moet worden aangemerkt als "onrechtmatig verkregen bewijs", blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet naar behoren is gemotiveerd. 3.5.2. Blijkens de eerste zin van r.o. 6.10 (waarin "6.8" kennelijk moet worden gelezen als "6.8 in verband met 6.7"), is de rechtbank ervan uitgegaan dat het feit dat de - door Nool in de prive-sfeer gevoerde - gesprekken zonder toestemming en/of medeweten van Nool op de band zijn vastgelegd, "op zichzelf (...) al" de slotsom wettigt dat de opname noch door Teerink, die haar heeft vervaardigd, noch door Slempkes, in wier bezit zij is gekomen, tegen Nool als bewijsmiddel mag worden gebruikt. Volgens voormeld arrest van de Hoge Raad van 16 okt. 1987 wettigt de omstandigheid dat een telefoongesprek zonder toestemming en/of medeweten van een der gesprekspartners op een band is opgenomen, slechts onder bijkomende omstandigheden de slotsom dat in een burgerlijk geding tegen die gesprekspartner de opname niet mag worden gebruikt als bewijs van de inhoud van het gesprek. De rechtbank heeft in dit verband geen andere bijkomende omstandigheid in aanmerking genomen dan dat de telefoongesprekken door Nool niet "in het zakelijk verkeer" werden gevoerd. Deze enkele omstandigheid is evenwel onvoldoende om de door de rechtbank getrokken slotsom te rechtvaardigen. Daarbij verdient opmerking dat in cassatie moet worden aangenomen dat weliswaar het eerste van de telefoongesprekken van Teerink is uitgegaan, maar dat Nool hem tot tweemaal toe op eigen initiatief heeft teruggebeld, alsmede dat zij Teerink voor deze gesprekken niet kende. 3.5.3. Blijkens het vervolg van r.o. 6.10 heeft de rechtbank haar oordeel dat de bandopname van de gesprekken moet worden aangemerkt als door Slempkes onrechtmatig verkregen bewijs, niet uitsluitend gegrond op het zonder toestemming en/of medeweten van Nool vastleggen van die door Nool niet in het zakelijk verkeer gevoerde gesprekken, maar - in haar gedachtengang: ten overvloede - mede op de navolgende bijkomende omstandigheden: (1e) het initiatief tot (het eerste van) de telefoongesprekken is uitgegaan van Teerink naar aanleiding van een bezoek van Zuidema die als prive-detective door Slempkes was ingeschakeld; (2e) Zuidema - die daarbij deels op eigen initiatief handelde, maar ook in verband met een opdracht van Slempkes - heeft de bank op laakbare wijze in zijn bezit gekregen (immers deze ofwel zonder toestemming van Teerink weggenomen ofwel onder valse voorwendsels van hem verkregen); (3e) Zuidema heeft de opname vervolgens aan Slempkes ter hand gesteld en haar daarbij op de hoogte gebracht van zijn "tactiek" tegenover Teerink. Al aangenomen evenwel dat Teerink door Nool voor deze gesprekken te benaderen jegens haar anders heeft gehandeld dan in het maatschappelijk verkeer betaamt, de rechtbank heeft niet vastgesteld dat Zuidema hem daartoe heeft aangezet of zijn handelwijze heeft uitgelokt, en evenmin dat de opdracht welke Slempkes aan Zuidema heeft gegeven, zulk aanzetten of uitlokken inhield of meebracht. Evenmin heeft de rechtbank vastgesteld dat die opdracht inhield of meebracht het zich op jegens Teerink laakbare wijze meester maken van de bandopname. Tenslotte verdient opmerking dat, nu de rechtbank de onder (3e) weergegeven omstandigheid klaarblijkelijk heeft ontleend aan de door Zuidema als getuige afgelegde verklaring waarbij deze heeft gezegd dat Teerink hem het cassettebandje eigener beweging ter hand heeft gesteld en, desgevraagd, uitdrukkelijk heeft ontkend dat hij het heeft weggenomen, haar vaststelling aldus moet worden begrepen dat Zuidema Slempkes heeft verteld dat hij bij Teerink de indruk had gewekt dat hij tegen haar optrad. Derhalve komen de door de rechtbank in aanmerking genomen bijkomende omstandigheden erop neer dat aan Slempkes hoogstens valt te verwijten dat zij gebruik wil maken van de bandopname hoewel zij weet dat degene die haar deze opname ter hand heeft gesteld, in het bezit daarvan is gekomen door het gebruik van valse voorwendsels jegens een ander dan Nool, tegen wie zij de opname wenst te bezigen als bewijsmiddel. Deze wetenschap van Slempkes kan evenwel noch op zichzelf, noch in combinatie met de omstandigheid dat het hier gaat om een zonder toestemming en/of medeweten van Nool gemaakte opname van door haar buiten het zakelijk verkeer gevoerde telefoongesprekken, de slotsom wettigen dat de opname heeft te gelden als door Slempkes jegens Nool "onrechtmatig verkregen bewijs". 3.6. Onderdeel 2 komt op tegen de hiervoor onder 3.1 reeds kort samengevatte overwegingen welke de rechtbank hebben geleid tot haar oordeel dat de daar onder A aangeduide uitlatingen van Nool niet zijn bewezen. De klachten van het onderdeel kunnen niet slagen. Zij miskennen vooreerst dat de vervaltermijn van art. 1416 BW (oud) vooreerst van openbare orde is, zodat de rechtbank gehouden was haar, ook al had Nool ter zake tegen het vonnis van de kantonrechter geen grief geformuleerd, ambtshalve toe te passen en dat het haar in dit kader vrijstond uit door Slempkes gestelde feiten ter zake dienende vermoedens af te leiden. Zij mocht daarbij, zoals zij blijkens haar r.o. 7.2 heeft gedaan, in aanmerking nemen dat wie een rechtsvordering ter zake van belediging instelt, bij het stellen van zijn gedingstukken rekening heeft te houden met de plicht van de rechter tot ambtshalve toepassen van voormelde vervaltermijn. Tegen deze achtergrond geeft hetgeen de rechtbank in r.o. 7.2 heeft overwogen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk dat zij enerzijds uit de stelling van Slempkes dat Nool de beledigende uitlatingen vanaf 1978 systematisch, wanneer zij maar kon en tegen wie zij maar kon, dag in dag uit, jaren achtereen heeft gedaan, en anderzijds uit de omstandigheid dat Slempkes, hoewel door het tussenvonnis van de kantonrechter van 27 okt. 1986 op het punt attent gemaakt, ter zake niet meer heeft gesteld dan dat zij "voor het eerst omstreeks juni en november 1978" bericht van die beledigende uitlatingen van Nool ontving, het vermoeden heeft afgeleid dat geen noemenswaardige tijdspanne gelegen moet zijn geweest tussen het moment waarop de gestelde beledigende uitlatingen zijn gedaan en dat waarop deze aan Slempkes bekend zijn geworden. De klachten miskennen voorts dat de rechtbank in r.o. 7.3 tot uitdrukking heeft gebracht dat zij geen reden had de verklaring van de getuige De Jong anders uit te leggen dan voor de hand ligt, nl. aldus dat de jegens Slempkes beledigende uitlatingen van Nool welke deze getuige zeide te hebben gehoord, werden gedaan in de tijd dat deze getuige nog op de hiervoor onder 3.1 genoemde rontgenafdeling werkzaam was - dus voor eind augustus 1983 - en dat de rechtbank voorts ook te dien aanzien heeft aangenomen dat deze uitlatingen vrijwel meteen, en in elk geval voor 25 sept. 1983 aan Slempkes bekend zijn geworden. Ook dit een en ander geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Evenmin behoefde het nadere motivering. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het vonnis van de Rechtbank Arnhem van 18 okt. 1990 en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het hof aldaar; veroordeelt Nool in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Slempkes begroot op f 3456,44, op de voet van art. 57b Rv te voldoen aan de griffier. [Mening] Conclusie A-G mr. Asser: 1. Inleiding 1.1. In deze eerlijk gezegd weinig verheffende zaak staat niet veel aan feiten vast, zodat ik mij hier beperk tot een kort overzicht van de lange procesgeschiedenis. Het volgende kan dan in cassatie tot uitgangspunt dienen. 1.2. Eiseres tot cassatie - Slempkes - heeft bij inleidende dagvaarding van 25 sept. 1984 in eerste aanleg verweerster in cassatie - Nool - tezamen met een ander - Teerink - voor de kantonrechter te Arnhem gedagvaard met een vordering tot vergoeding van de bij staat op te maken schade die zij - ik vat kort samen - stelde geleden te hebben wegens de onrechtmatige daad van de beide gedaagden, bestaande in lasterlijke en smadelijke uitlatingen met een onwaar, insinuerend en krenkend karakter die zij aan derden over haar zouden hebben gedaan. Zij vorderde tevens dat beide gedaagden zouden worden veroordeeld elk publiekelijk een schriftelijke verklaring af te leggen van de strekking dat zij hun uitlatingen, als nader in de dagvaarding aangegeven, zou herroepen. 1.3. Nool en Teerink hebben daartegen verweer gevoerd, waarna Slempkes haar eis heeft gewijzigd en aangevuld in dier voege dat zij primair haar vordering baseerde op mondelinge belediging en subsidiair op onrechtmatige daad, waarbij zij haar subsidiaire schadevordering beperkte tot f 5000. Bij tussenvonnis van 25 nov. 1985 heeft de kantonrechter een inlichtingencomparitie bevolen welke vervolgens is gehouden. Daarop heeft de gemachtigde van Slempkes ter griffie van het kantongerecht gedeponeerd een cassettebandje waarop een telefoongesprek zou staan tussen Nool en Teerink. Vervolgens hebben partijen verder gedebatteerd. Slempkes heeft toen bij conclusie na comparitie twee produkties (I en II) overgelegd waarop de beweerde uitlatingen van Nool resp. Teerink zijn gespecificeerd. Men zal begrijpen dat ik geen behoefte gevoel de op zichzelf infame inhoud daarvan hier te herhalen en dat ik daarvoor naar de stukken verwijs. 1.4. Bij tussenvonnis van 27 okt. 1986 heeft de kantonrechter zich o.m. bevoegd geoordeeld om kennis te nemen van de vordering voorzover gebaseerd op mondelinge belediging. Tevens liet hij Slempkes toe te bewijzen de uitlatingen zoals omschreven in de produkties I en II, behorend bij de van de kant van Slempkes genomen conclusie na gehouden comparitie alsook dat Nool en Teerink die uitlatingen hebben gedaan met het oogmerk om eiseres te beledigen. 1.5. Na bewijslevering waarbij over en weer getuigen (o.m. na heropening van de reeds gesloten getuigenverhoren) zijn voorgebracht en gehoord, heeft de kantonrechter bij eindvonnis geoordeeld dat voldoende was komen vast te staan dat zowel Nool als Teerink zodanige grievende uitlatingen hebben gedaan, dat deze als beledigend voor eiseres Slempkes moet worden aangemerkt, dat deze uitlatingen in hoofdzaak in 1983 zijn gedaan en met het oogmerk om Slempkes te beledigen. Hij veroordeelde Nool en Teerink tot vergoeding van de door Slempkes geleden materiele en immateriele schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 1.6. Hiermee ontevreden is Nool in hoger beroep gekomen bij de Arnhemse rechtbank en met succes want bij vonnis van 18 okt. 1990 heeft de rechtbank het eindvonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van Slempkes alsnog afgewezen. Op de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden kom ik hierna naar aanleiding van het cassatiemiddel nog terug. 1.7. Van dit vonnis is Nool tijdig in cassatie gekomen met een uit een inleiding van twee middelonderdelen, opgebouwd middel. Slempkes heeft het middel bestreden. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1. In het onderdeel 1 wordt de vraag aan de orde gesteld of het ter griffie gedeponeerde cassettebandje met het beweerde telefoongesprek tussen Nool en Teerink moet worden beschouwd als onrechtmatig verkregen bewijs en uit dien hoofde niet kan bijdragen tot levering van het bewijs dat Slempkes was opgedragen. 2.2. Het gaat hier om een bandje dat een zekere Zuidema, een detective die door Slempkes was ingeschakeld, bij een bezoek aan Teerink in zijn bezit had gekregen en dat hij daarna aan Slempkes ter hand had gesteld. 2.3. In eerste aanleg had Slempkes ter comparitie verklaard: "Ik heb (...) een cassettebandje waarop een telefoongesprek tussen Teerink en Nool is opgenomen. Dat bandje heb ik van Zuidema, die het op zijn beurt van Teerink kreeg." Bij die gelegenheid reageerde Teerink daarop als volgt: "Ik heb Zuidema nooit een bandje gegeven. Omdat ik 95% blind ben, werk ik wel noodgedwongen met bandopnamen. Ik weet overigens dat Zuidema zeer goed is in het imiteren van anderen." 2.4. Bij conclusie na comparitie deed Nool te dien aanzien stellen: "Nimmer heeft gedaagde toestemming gegeven aan Teerink of aan Zuidema om welk gesprek dan ook op de band op te nemen. Gedaagde wijst er reeds nu op dat een dergelijke band heeft te gelden als onrechtmatig verkregen en derhalve niet als bewijsstuk zal kunnen dienen." 2.5. Bij conclusie na enquete heeft Nool gesteld: "De ter griffie van het kantongerecht gedeponeerde bandopname dient te gelden als onrechtmatig verkregen bewijs (...). Nimmer heeft Nool toestemming gegeven tot het maken van een bandopname van telefoongesprekken. Nool kan zich het telefoongesprek met Teerink ook absoluut niet herinneren. Waarschijnlijk gaat het hier om een (lees:) falsificatie." 2.6. De kantonrechter heeft dienaangaande in r.o. 17 van zijn eindvonnis het volgende overwogen: "Voor het bewijs van het probandum ten aanzien van beide gedaagden geldt, dat de door Slempkes in het geding gebrachte cassetteband, die zij van de getuige Zuidema ontving, zowel uitlatingen van Teerink als van Nool bevat, die overeenstemmen met de uitlatingen zoals die zijn weergegeven in de in het probandum genoemde produkties I en II. Noch Teerink, noch Nool, die middels hun raadslieden bovendien de gelegenheid hebben gehad de inhoud van de cassetteband te betwisten, hebben gemotiveerd bestreden dat de stemmen, weergegeven op die cassetteband, de hunne zijn. Nool heeft slechts aangevoerd dat zij voor het opnemen van door haar gevoerde gesprekken geen toestemming heeft gegeven. Het verweer van Teerink, als zou de getuige Zuidema de cassetteband wederrechtelijk hebben weggenomen, acht de kantonrechter met de getuigeverklaringen van Zuidema en Beugels voldoende weerlegd. Ook al zou Zuidema een goede imitator zijn, zoals Teerink wil doen geloven, dan nog is het ondenkbaar dat zulks in deze een rol zou hebben gespeeld. Van onrechtmatig verkregen bewijs is naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op het vorenoverwogene dan ook geen sprake." 2.7. In haar negende en tiende appelgrief kwam Nool hiertegen op. Na in r.o. 6.4 te hebben overwogen dat ten aanzien van de door Nool tegenover Teerink in telefoongesprekken in november 1983 gedane uitlatingen geldt dat gesteld noch gebleken is dat deze zijn gedaan elders of anders dan in telefoongesprekken met Teerink, overweegt de rechtbank in r.o. 6.5 dat Nool betwistte deze uitlatingen te hebben gedaan en in r.o. 6.6 dat het enige bewijsmiddel van uitlatingen het genoemde bandje is. Vervolgens overweegt zij dat Nool stelde dat dit bandje niet voor het bewijs mag worden gebruikt en dat zij voor de vraag of de bandopname voor het bewijs mag worden gebruikt zij er veronderstellenderwijze van uit zal gaan dat op het bandje telefoongesprekken met Nool, als door Slempkes gesteld, staan. Daarop laat zij volgen: "6.7. Voorop moet staan dat Nool deze telefoongesprekken, wat haar betreft, in de prive-sfeer heeft gevoerd, dat zij geen toestemming heeft gegeven deze (op een band) op te nemen en ook niet wist dat Teerink dat deed; zij heeft dit onbetwist gesteld. 6.8. Het staat vast dat Slempkes in het bezit van de band is gekomen via de door haar ingeschakelde prive-detective Zuidema, die deze band bij een bezoek aan Teerink van diens kantoor heeft meegenomen. Partijen twisten over de vraag of dat meenemen met of zonder toestemming van Teerink is gebeurd. 6.9. Mede op grond van de verklaring die Zuidema in eerste instantie als getuige heeft afgelegd, kan er van uitgegaan worden dat Zuidema als prive-detective door Slempkes was ingeschakeld, dat hij na een gesprek met Slempkes (die over Teerink had geklaagd) meer wilde weten over zijn collega Teerink, dat Zuidema toen contact heeft gelegd met Teerink en bij het daarop gevolgde gesprek niet zijn werkelijke bedoelingen aan Teerink heeft vermeld, maar Teerink heeft gezegd dat hij een onderzoek instelde naar Slempkes, waarbij/voor hij Teerinks hulp of informatie wilde hebben, en dat dit onderzoek (mede) nodig was omdat Slempkes een vrouw in Maastricht lastig viel - hetgeen een onwaar, door Zuidema verzonnen verhaal was -. Zuidema heeft Slempkes naar zijn zeggen tegenover Teerink zwart gemaakt om hem te provoceren. 6.10. Op zichzelf zou Nool al bezwaar kunnen maken tegen eventueel gebruik van de band door haar gesprekspartner Teerink onder de in 6.8. genoemde omstandigheden. In dit geval komt daarbij dat Nool voor deze gesprekken was benaderd door Teerink naar aanleiding van een bezoek van Zuidema aan Teerink en dat Zuidema - die in deze deels op eigen initiatief handelde maar ook in verband met een opdracht van Slempkes - de band ofwel zonder diens toestemming van Teerink heeft weggenomen of wel onder valse voorwendsels van hem heeft verkregen. Bij de overhandiging van de band aan Slempkes heeft Zuidema haar zijn "taktiek" tegenover Teerink verteld. 6.11. Onder deze omstandigheden is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Omstandigheden die de vastlegging van telefoongesprekken of het gebruik van de band in deze procedure zouden kunnen rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken. In het bijzonder de ernst van de feiten die Slempkes ermee wil bewijzen levert niet zo'n rechtvaardigingsgrond op. Ook hier is geen sprake van een situatie waarin geen andere manier bestaat om bewijs te leveren van de gestelde feiten. De overige door Nool aangevoerde gronden waarom de bandopname buiten gebruik moet blijven, kunnen hierna onbesproken blijven." 2.8. Tegen deze overwegingen richt het middelonderdeel zijn pijlen. 2.9. Over de vraag of het zonder toestemming van de gesprekspartner maken van een bandopname van een telefoongesprek onrechtmatig is en zo ja onder welke omstandigheden moge ik in het algemeen verwijzen naar HR 16 okt. 1987, NJ 1988, 850 (m.nt. E.A. Alkema) en mijn conclusie voor dat arrest. (Aan de daarin vermelde literatuur voeg ik toe Schirmeister, Onrechtmatig verkregen bewijs in het civiele recht, in: Rechtshulp 1988, 8-9, p. 4-9 n.a.v. het arrest van 1987; Elders, Waardering van bewijs, Afscheidsrede, 1990, p. 7-9; dezelfde, Onrechtmatig verkregen bewijs en het burgerlijk geding, in: NJB 1990, p. 1479-1483; De Boer, Artikel 8 EVRM, Praeadvies HNJV 1990-I, p. 33-34 over genoemd arrest; Haardt, Bewijs en balans, Afweging van belangen in het nieuwe bewijsrecht, in het bijzonder bij "onrechtmatig verkregen bewijs", in: Vorm en wezen (Heemskerk-bundel), 1991, p. 87-96; en tenslotte de volgende bijdragen van mijn hand: Vademecum Burgerlijk Procesrecht, hoofdstuk 6, onder 6.3.2; Grenzen aan de waarheidsvinding in burgerlijke zaken, Heiligt het doel de bewijsmiddelen?, 1991, p. 7-16; alles met verdere literatuur.) Uw Raad besliste daarin (r.o. 3.3.2, slot) dat het enkele zonder toestemming van de gesprekspartner op een geluidsband vastleggen van een telefoongesprek nog geen inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer oplevert, maar dat daarvoor bijkomende omstandigheden vereist zijn. 2.10. In het onderhavige geval heeft de rechtbank omtrent de aard en inhoud van het op de band voorkomende gesprek slechts vastgesteld dat Nool de telefoongesprekken "wat haar betreft, in de prive-sfeer heeft gevoerd", dat zij geen toestemming heeft gegeven deze op te nemen en ook niet wist dat Teerink dat deed. 2.11. Mocht de rechtbank hiermee tot uitdrukking hebben willen brengen dat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van Nool door de opname zonder haar toestemming, dan komt het mij voor dat de rechtbank met dit oordeel in het licht van het zojuist genoemde arrest van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft. De hier genoemde omstandigheden - waarbij ik in aanmerking neem dat de rechtbank met "in de prive-sfeer" wil zeggen: niet zakelijk - zijn, naar ik meen, in elk geval onvoldoende om van zo'n inbreuk te kunnen spreken. 2.12. Heeft de rechtbank ook daarom in r.o. 6.10 overwogen dat Nool "op zichzelf" al bezwaar zou kunnen maken tegen "eventueel gebruik" van de band door haar gesprekspartner Teerink en heeft zij hiermee als haar oordeel te kennen gegeven dat Teerink de band niet als bewijsmateriaal zou mogen gebruiken, dan geeft ook dat oordeel in het licht van meergenoemd arrest van 1987 blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het enkele feit dat Teerink, zonder dat Nool daarvan op de hoogte was, zijn gesprekken met haar op de band opnam brengt niet zonder meer mee dat hij die band niet als bewijsmiddel zou mogen bezigen. 2.13. Bij een andere lezing van het bestreden vonnis wordt niet duidelijk op grond waarvan de rechtbank tot het genoemde in r.o. 6.10 eerste zin geformuleerde oordeel is gekomen, zodat haar vonnis niet het voor controle nodige inzicht in haar gedachtengang biedt. Met name is onduidelijk of de aard en de inhoud van de opgenomen gesprekken zodanig zijn dat deze zich verzet tegen vastlegging en/of tegen openbaarmaking in een geding als het onderhavige (vgl. r.o. 3.4.3 van het arrest van 1987). Weliswaar heeft Nool bij pleidooi in hoger beroep (Pleitnota mr. Rutten, p. 14.) gesteld: "- Bij de vrouw wordt de indruk gewekt dat het om een hoogst vertrouwelijk gesprek gaat dat tussen de gesprekspartners zal blijven. - Zelfs wordt (dit?; A.) uitdrukkelijk door de man gezegd", maar niet blijkt of de rechtbank dit feitelijk relaas onderschrijft. Het blijkt zelfs niet of de rechtbank zelf van de inhoud van de bandopname kennis heeft genomen. 2.14. In zoverre slagen de subonderdelen 1.2 en 1.9 van het middelonderdeel. Nu het hier onjuist gebleken oordeel naar mijn mening blijkens de eerste zin van r.o. 6.11 een onmisbare schakel vormt in de gedachtengang van de rechtbank die heeft geleid tot haar oordeel dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, kan reeds daarom dat oordeel geen stand houden. Ik ga echter nog in op de vraag of de vervolgens door de rechtbank in r.o. 6.10 genoemde omstandigheden zelfstandig het oordeel van de rechtbank zouden kunnen dragen. 2.15. Het betreft hier de omstandigheden waaronder Slempkes in het bezit is gekomen van de band. 2.16. Bij de beoordeling hiervan zou ik voorop willen stellen dat naar mijn mening de enkele omstandigheid dat een bewijsstuk langs onrechtmatige weg - denk bijv. aan schending van de in art. 6:162 BW genoemde normen - in het bezit van een partij is gekomen nog niet behoort mee te brengen dat die partij dat stuk niet in een procedure als bewijsmiddel mag gebruiken. Ik put hiervoor steun uit HR 1 juli 1982, NJ 1983, 682 (m.nt. J.C. Schultsz) inzake het onrechtmatig verkregen codicil. (Geciteerd o.m. in de conclusie voor HR NJ 1988, 850, p. 2882 l.k.) De onrechtmatige verkrijging van het bewijsmiddel behoort niet afgestraft te worden door uitsluiting daarvan in het civiele proces. Er moet, wil bewijsuitsluiting worden gerechtvaardigd, naar het mij voorkomt, schending van een fundamenteel procesrechtelijk beginsel, uiteindelijk het beginsel van een eerlijk proces (art. 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), art. 14 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) dreigen. Men kan ook aanknopen bij het beginsel van de goede procesorde: het gebruik van het op onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddel moet in strijd zijn met een goede procesorde, wil uitsluiting daarvan gerechtvaardigd zijn. (Ik heb dit ook verdedigd in Grenzen aan de waarheidsvinding, p. 14 e.v.) 2.17. Juist in verband met het processuele kader waarin de bewijsuitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal speelt zou ik menen dat in beginsel alleen dan daartoe moet worden overgegaan indien de verkrijging onrechtmatig was ten opzichte van de wederpartij. Alleen in dat geval kan onder bijkomende omstandigheden de onrechtmatigheid van de verkrijging doorwerken in dier voege dat het gebruik als bewijsmiddel in het proces moet worden beschouwd als strijdig met het beginsel van een eerlijk proces of een goede procesorde. (Vgl. HR 14 april 1989, NJ 1990, 712 (m.nt. C.J.H. Brunner) (Benckiser); vgl. Grenzen aan de waarheidsvinding p. 15 bij en in noot 70.) 2.18. Ik onderscheid in r.o. 6.10 van het vonnis van de rechtbank de volgende omstandigheden: a. Nool is voor de bewuste telefoongesprekken benaderd door Teerink naar aanleiding van een bezoek aan Zuidema aan Teerink; b. Zuidema heeft, deels op eigen initiatief maar ook in verband met een opdracht van Slempkes, de band ofwel zonder toestemming van Teerink weggenomen ofwel deze onder valse voorwendsels van hem verkregen; c. Zuidema heeft bij de overhandiging aan Slempkes van de band haar van zijn "taktiek" tegenover Teerink verteld. 2.19. Omstandigheid a vat ik aldus op dat de rechtbank daarmee als feitelijk uitgangspunt neemt dat eerst na het bezoek van Zuidema, waarover deze overeenkomstig de in r.o. 6.9 samengevatte verklaring in eerste aanleg heeft verklaard, de bandopnamen met gesprekken tussen Nool en Teerink zijn ontstaan. 2.20. Het komt mij voor dat dit door subonderdeel 1.3 terecht wordt bestreden met een motiveringsklacht. Aangenomen moet worden dat de rechtbank zich hier baseert op de verklaring van Slempkes ter comparitie: "Mevr. Nool is door Teerink benaderd naar aanleiding van een bezoek van de heer Zuidema. Medio 1984 heeft mevr. Nool zich in voormelde zin uitgelaten tegenover Teerink, die zij toen nog niet kende." 2.21. Maar ook in het licht hiervan kan ik wat de rechtbank overweegt niet goed rijmen met de door de rechtbank in r.o. 6.9 genoemde verklaring van de getuige Zuidema, waaruit bij lezing van het proces-verbaal blijkt dat zijn gesprek met Teerink waarbij hij het bandje in handen kreeg niet was voorafgegaan door een eerder bezoek aan Teerink. (Zie in dit verband ook de conclusie na gehouden comparitie door Slempkes geproduceerde brief van Zuidema van 20 nov. 1983, waarin deze aan Slempkes verslag doet van zijn bezoek aan Teerink, maar waarin overigens over het bandje met geen woord wordt gerept.) Als ik de brieven van Teerink aan de kantonrechter van 27 mei 1987 en 29 mei 1988 lees, wordt dit beeld bevestigd (Zo ook al in de brief van Teerink aan de kantonrechter van 24 jan. 1985, de reactie op "het verweer" van Slempkes, derde en vierde bladzijde. Vgl. ook zijn "schriftelijke conclusie" van 15 april 1985.), zij het dat Teerink Zuidema een keer eerder in Maastricht zou hebben ontmoet (hetgeen Zuidema in zijn verklaring overigens lijkt te betwisten). Dat het daarbij is gegaan over de onderhavige zaak blijkt niet. 2.22. Ook als men aanneemt dat de rechtbank ten aanzien van deze vaststelling er eveneens slechts veronderstellenderwijze van uitgaat dat op het bandje telefoongesprekken van Nool staan als door Slempkes gesteld en zij dus uitsluitend is afgegaan op de stellingen van Slempkes, acht ik onvoldoende begrijpelijk op grond waarvan de rechtbank tot deze vaststelling komt, nu ik in wat Slempkes verder in de processtukken had gesteld daarvoor geen aanknopingspunt kan vinden. (Zie het door Slempkes bij brief van 3 jan. 1985 aan de kantonrechter gezonden stuk d.d. 6 okt. 1984 waarmee Slempkes reageert op het antwoord van Teerink aan de kantonrechter, p. 2, laatste alinea over het gesprek tussen Zuidema en Teerink; het bij conclusie na enquete overgelegde commentaar van Slempkes zelf op de verklaringen van de getuigen Zuidema en Beugels.) Dit betekent dat subonderdeel 1.3 daarover m.i. terecht klaagt. 2.23. Blijven over de omstandigheden b en c, die ik zo opvat dat de rechtbank er van uitgaat dat Zuidema die handelde mede "in verband met een opdracht van Slempkes", waarmee zij kennelijk wil zeggen: ten behoeve van Slempkes, door diefstal of valse voorwendsels jegens Teerink, dus op rechtens onoirbare wijze, in het bezit van het bandje is gekomen en dat Slempkes daarvan, althans van het bedrog, op de hoogte was toen zij het bandje in bezit kreeg. 2.24. Hoezeer de handelwijze van Zuidema ook te laken valt en hoezeer Slempkes ook op zijn zachtst gezegd onfatsoenlijk handelde door het aldus verkregen bandje aan te nemen, ik vind dit niet voldoende om het bandje als bewijsmiddel in een geding als dit uit te sluiten. 2.25. In de eerste plaats zou ik menen dat het gedrag van Zuidema onrechtmatig was jegens Teerink en niet jegens Nool. 2.26. In de tweede plaats stelt de rechtbank niet vast dat Zuidema de diefstal of het ontvangen van de band onder valse voorwendsels in opdracht van Slempkes heeft gepleegd. 2.27. In de derde plaats acht ik de omstandigheid dat Slempkes bij het ontvangen van de band door Zuidema van zijn "taktiek" op de hoogte is gesteld, niet van dien aard dat daarmee Slempkes de band op onrechtmatige wijze in haar bezit heeft gekregen. Niet staat vast dat Zuidema de band heeft gestolen en dat aan Slempkes heeft meegedeeld. Zuidema heeft verklaard dat Teerink hem de band heeft overhandigd. Blijft dus bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag over dat Slempkes heeft vernomen dat Zuidema de band onder valse voorwendsels van Teerink heeft gekregen. Ik vind dat niet voldoende om te kunnen spreken van een onrechtmatig handelen van Slempkes jegens Nool, en dat enkele feit is m.i. zelfs niet voldoende om het eventuele onrechtmatige gedrag van Zuidema mede aan Slempkes toe te rekenen. 2.28. Daarom meen ik dat van schending van enig procesrechtelijk beginsel naar mijn mening geen sprake is als de rechter het bandje als bewijsmiddel aanmerkt en bijv. beluistert. Partijen hebben reeds bij de kantonrechter de gelegenheid gehad zich over de inhoud van de band uit te laten, waarbij Nool zich op het standpunt heeft gesteld dat het een falsificatie is. 2.29. Ook op grond van dit een en ander meen ik dat het middelonderdeel terecht klaagt over de beslissing van de rechtbank om (de inhoud van) het bandje aan te merken als onrechtmatig verkregen bewijs en het op grond daarvan uit te sluiten als bewijsmiddel. 2.30. Overigens zou ik bij dit alles nog de volgende observatie willen maken. Zoals mij bij kennisneming van de gedingstukken is opgevallen, lijken partijen het, afgezien van het (op zichzelf belangrijke) twistpunt van de identiteit van de gesprekspartners, over de inhoud van het bandje eens te zijn. Uit wat nu dienaangaande in de procedure is gesteld en gebleken - hetgeen de kantonrechter in r.o. 17 (Hierboven onder 2.6 geciteerd.) van zijn eindvonnis ten aanzien van die inhoud overweegt is in appel door Nool niet met enige grief bestreden - is die inhoud - ik schreef het al - infaam. 2.31. Moet nu degene van wie het gezegde afkomstig zou zijn, rechtens aanspraak kunnen maken op bescherming daarvan tegen openbaring en gebruik in een proces als het onderhavige door middel van een beroep op vertrouwelijkheid en onrechtmatige bewijsgaring? Opmerkingen als waarvan hier sprake is - zij mogen in vertrouwen zijn gedaan - verdienen naar ik zou menen op zichzelf rechtens eigenlijk geen bescherming, zeker niet onder de paraplu van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. (Ter vermijding van elk misverstand: ik spreek hier niet van het recht en de plicht van de beroepsgeheimhouder (verschoningsgerechtigde) om in het proces niet te openbaren wat geheim moet blijven. De ratio van de bescherming van wat hun in hun hoedanigheid is gezegd ligt immers op een ander vlak.) Er zijn, dunkt me, ook aan die bescherming grenzen. Vrouwe Justitia moge geblinddoekt zijn, zij is blind noch doof. Ik zeg het maar eens vrijuit: het recht is er niet om roddel en achterklap te beschermen. 2.32. Trouwens, in het algemeen geldt al dat bij de vraag of een bandopname van een gesprek als bewijsmiddel moet worden uitgesloten omdat zij onrechtmatig verkregen zou zijn, de aard van het gesprokene niet buiten beschouwing mag blijven. Ik moge hiertoe opnieuw verwijzen naar het arrest van 1987. 2.33. Om deze redenen alleen al acht ik het beroep op onrechtmatig verkregen bewijs - een toch al delicaat "leerstuk" waarbij rechterlijke behoedzaamheid en terughoudendheid op haar plaats zijn - ten aanzien van de onderhavige bandopname misplaatst. 2.34. Ik kom nu aan middelonderdeel 2 dat op een geheel andere kwestie betrekking heeft. Het keert zich tegen het oordeel dat de rechtbank heeft gegeven betreffende de vraag of de op belediging gebaseerde vordering van Slempkes ingevolge art. 1416 BW was vervallen. 2.35. Het gaat, zoals de rechtbank in r.o. 7.1 overweegt om de uitlatingen van Nool in de periode van 1978 t/m augustus 1983 op de rontgenafdeling van het Gemeenteziekenhuis in Arnhem en tegen de fam. Willemsen en Zuidijk (r.o. 6.3 onder A). 2.36. Van een vervaltermijn, waarvan hier sprake is, wordt in het algemeen aangenomen dat de rechter hem ambtshalve dient toe te passen, dus ook als er geen beroep op is gedaan. (Asser/Hartkamp I, nr. 688.) Wat dit laatste betreft blijkt dat de raadsman van Nool bij pleidooi in appel (Pleitnota mr. Rutten, onder 6 en 7, p. 8-9.) heeft opgemerkt: "6. De datum waarop eiseres vernomen zou hebben dat cliente zich beweerdelijk zo grof en openlijk zou misdragen, blijft onduidelijk. Wij mogen er echter gevoegelijk van uitgaan dat eiseres spreekt over een periode die meer dan tien jaar achter ons ligt. De verjaringstermijn genoemd in art. 1416 BW is derhalve in ieder geval overschreden voorzover het betreft de openlijke uitlatingen. 7. (...) De verklaring van mevr. De Jong kan slechts betrekking hebben op een periode tot augustus 1983, derhalve tenminste een jaar voor de dag der dagvaarding." 2.37. In de stukken van de kant van Slempkes is op dit punt slechts een passage te vinden in de pleitnota van haar raadsman in appel: "3. Periode waarin de belediging plaats vond Van de memorie van grieven, met name de grieven 7 en 8, gaat de suggestie uit als zou op grond van de getuigenverklaringen alleen vastgesteld kunnen worden dat de belediging plaats vond vanaf 1978 en niet uitdrukkelijk in de periode 1983/1984. Appellante citeert zelf de door geintimeerde gedane mededeling dat zij door eerstgenoemde vanaf 1978 systematisch achter haar rug om waar zij maar kon in een kwaad daglicht is gesteld. Genoemd handelen heeft vanaf 1978 in een voortdurende herhaling plaats gevonden maar de belediging bereikte een climax in de periode 1983/1984. In zoverre een aantal getuigen, met name door appellante in haar memorie vermeld, spreekt over de periode voor 1983/84 bevestigt dat de juistheid van het systematische in het handelen van appellante en maakt dat het bereiken van een climax in de aangegeven periode 1983/84 alleen maar verklaarbaarder en aannemelijker. Het standpunt als zou het slechts gaan om een eerdere periode dan die van een jaar voor de dagvaarding doet appellante slechts steunen op een haar passende selectie van de getuigenverklaringen." 2.38. Hieruit kan men opmaken dat de op art. 1416 BW gebaseerde beslissing van de rechtbank niet geheel uit de lucht is komen vallen, maar van een duidelijk en grondig debat tussen partijen over de vraag of de vervaltermijn was verstreken en zo ja ten aanzien van welke uitlatingen, kan nu ook weer niet gesproken worden. Wel moet hierbij in aanmerking worden genomen dat ten aanzien van deze vraag van het begin af aan partijen, en met name Slempkes, erop bedacht hadden kunnen en behoren te zijn dat de rechter - eventueel ambtshalve - genoemde vraag zou onderzoeken. 2.39. De kantonrechter lijkt daartoe een aanzet te hebben gegeven met zijn verzoek aan Slempkes in r.o. 7 van het tussenvonnis van 27 okt. 1986 hem mede te delen op welk tijdstip zij vernam dat Nool de gestelde uitlatingen deed aan anderen dan aan Teerink. 2.40. Met het antwoord van Slempkes bij akte houdende opgaaf getuigen van 19 jan. 1987, sub 2: "Ter voldoening aan het gestelde onder r.o. 7 van het tussenvonnis deelt eiseres mede dat zij voor het eerst op of omstreeks juni en november 1978 berichten ontving dat gedaagde sub 2 (d.i. Nool; A.) de gestelde uitlatingen deed aan een ander dan gedaagde sub 1 (d.i. Teerink; A)", heeft de kantonrechter verder niets gedaan. Uit de stukken, in het bijzonder het eindvonnis in eerste aanleg, blijkt in elk geval niet dat de kantonrechter dit punt nog nader heeft onderzocht, laat staan daarop heeft beslist, anders dan dat hij in r.o. 18 van zijn eindvonnis heeft vastgesteld dat de door hem als beledigend jegens Slempkes aangemerkte uitlatingen van Nool en Teerink, waarop hij in die rechtsoverweging doelt, "in hoofdzaak in 1983 zijn gedaan". 2.41. De rechtbank heeft blijkens r.o. 7.2 e.v. in verband met de termijn van art. 1416 BW onderzocht of binnen de termijn van een jaar voor de dagvaarding - uitgebracht op 25 sept. 1984 - uitlatingen, als hier bedoeld, als grondslag voor de vordering ter zake van belediging konden dienen omdat zij binnen die termijn zijn gedaan of Slempkes bekend geworden. 2.42. Met het oog op dit laatste heeft de rechtbank in het algemeen ten aanzien van het tijdsverschil tussen het tijdstip waarop de uitlatingen zijn gedaan en dat waarop Slempkes daarmee bekend werd, in r.o. 7.2 langs de weg van het vermoeden aangenomen dat er geen noemenswaardige tijdspanne gelegen was tussen beide tijdstippen. 2.43. Zij kwam daartoe enerzijds op grond van de stelling van Slempkes "dat de beledigende uitlatingen vanaf 1978 systematisch, wanneer Nool maar kon en tegen wie ze maar kon, dag in dag uit, jaren achtereen zijn gedaan". Anderzijds deed de rechtbank haar oordeel steunen op haar overweging dat het tegendeel - van wat zij had aangenomen - niet of onvoldoende was gesteld of gebleken. Uit het slot van r.o. 7.2 blijkt dan dat zij van oordeel was dat met name Slempkes, op dit punt door de kantonrechter gevraagd, onvoldoende te dien aanzien had gesteld. Zij vond dus, als ik het goed zie, dat Slempkes hier niet aan haar stelplicht had voldaan. 2.44. Het middelonderdeel werpt - kort gezegd - op dat de rechtbank met het in 2.42 weergegeven oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en zich heeft bezondigd aan een ongeoorloofde aanvulling van feitelijke gronden. 2.45. In het licht van het contradictoire karakter van het geding, dat ook geldt als het gaat om een ambtshalve onderzoek door de rechter, kan men ten aanzien van de hier bestreden beslissing van de rechtbank wel enige twijfels hebben. Het betreft hier een punt waarover partijen niet in het bijzonder hebben gedebatteerd maar wat wel van wezenlijk belang is voor de uitkomst van het geding. Immers bij het oordeel van de rechtbank in de r.o. 7.3 en 7.6 dat geen uitlatingen als hier bedoeld na augustus 1983 (in r.o. 7.6 staat: "sedert september 1983", maar dat lees ik als: vanaf het begin van september 1983) zijn gesteld of gebleken, gaat het er voor de toepassing van art. 1416 BW vooral om op welk moment Slempkes op de hoogte is geraakt van de voordien gedane uitlatingen. Het steekt nogal nauw, want het gaat om een tijdsbestek van enige weken voor (achteraf bezien) de aanvang van de vervaltermijn. Toch meen ik dat de klachten van dit onderdeel niet opgaan. 2.46. Het zwaartepunt van de redenering van de rechtbank ligt in het vermoeden dat is gebaseerd op het karakter en de frequentie van de uitlatingen van Nool, zoals door Slempkes zelf gesteld: "dat de beledigende uitlatingen vanaf 1978 systematisch, wanneer Nool maar kon en tegen wie ze maar kon, dag in dag uit, jaren achtereen zijn gedaan". Daarmee heeft de rechtbank kennelijk bedoeld dat hier sprake was van zo openlijke en voortdurende uitlatingen van Nool dat Slempkes daarvan telkens vrijwel meteen op de hoogte geraakt moet zijn. Tot dat vermoeden werkt mee dat Slempkes naar het oordeel van de rechtbank niet heeft voldaan aan haar stelplicht ten aanzien van de vraag op welk moment zij (telkens) met de uitlatingen bekend werd, waartoe de rechtbank heeft laten meewegen dat Slempkes in eerste aanleg door een vraag van de kantonrechter de gelegenheid heeft gekregen daarover opheldering te verschaffen, maar die niet heeft benut. 2.47. Wat de rechtbank heeft gedaan was m.i. in elk geval toegestaan. (Vgl. Vriesendorp, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden, studiepocket, 1981, p. 31 e.v.) Zij heeft, in het kader van een door haar ambtshalve te verrichten onderzoek naar een punt dat overigens ook door Nool was geentameerd, haar vermoeden gebaseerd op door Slempkes zelf gestelde feiten en op een oordeel omtrent de stelplicht van Slempkes dat m.i. bovendien niet onjuist is. 2.48. Van de partij die een rechtsvordering instelt op grond van belediging, kan dunkt me, met het oog op de door de rechter ambtshalve te onderzoeken vraag of de termijn van art. 1416 BW meebrengt dat de vordering is vervallen, worden verlangd dat zij met de nodige gedetailleerdheid stelt op welk(e) tijdstip(pen) de gestelde beledigende uitlatingen hebben plaatsgevonden en zij daarmee bekend is geraakt. Als zij bovendien daartoe de gelegenheid krijgt en die naar het oordeel van de rechter niet of onvoldoende benut, mag de rechter daaraan gevolgen verbinden. 2.49. Verder meen ik dat het bestreden oordeel in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk is. In het licht van wat Slempkes had gesteld behoefde het geen nadere motivering. 2.50. Op het voorgaande stuiten de klachten van subonderdeel 2.2 m.i. af. 2.51. De rechtbank stelt in r.o. 7.3 vast dat de getuige Marijke de Jong niet kan bijdragen "tot het bewijs", dat wil zeggen dat de bewuste uitlatingen ook nog zijn gepleegd "ongeveer" een jaar voor de dagvaarding. De betrokken rechtsoverweging moet m.i. zo worden verstaan dat zij vaststelt dat de verklaring van deze getuige slechts betrekking heeft op de periode dat zij werkzaam was in het Gemeenteziekenhuis, nl. t/m augustus 1983, en dat, gelet op het overwogene in r.o. 7.2, ervan uitgegaan moet worden dat Slempkes voor het ingaan van de vervaltermijn bekend was geraakt met uitlatingen die Nool in die periode zou hebben gedaan, zodat op grond van de verklaring van deze getuige niet kan worden vastgesteld dat Slempkes met een of meer van de uitlatingen waarom het gaat pas na 25 sept. 1983 op de hoogte is geraakt. 2.52. Aldus opgevat lijkt me de overweging niet onbegrijpelijk noch van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Van enige bewijslastverdeling lees ik in de overweging niets, laat staan dat daaruit enige schending van een regel op dat punt blijkt. 2.53. Maar ook als de rechtbank in deze rechtsoverweging tot uitdrukking heeft gebracht dat het op de weg van Slempkes zou hebben gelegen om te stellen en zo nodig aan te tonen dat de verklaring van deze getuige betrekking heeft op uitlatingen van na augustus 1983, dan nog heeft zij daarmee geen rechtsregel geschonden. 2.54. Hierop stuiten alle klachten van onderdeel 2.3 af, voorzover dat niet al het geval is omdat zij berusten op het hierboven verworpen betoog van subonderdeel 2.2. 2.55. Nu naar mijn mening het eerste middelonderdeel dient te slagen kom ik tot de slotsom dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Verwijzing zal moeten volgen. 3. Conclusie Deze strekt tot vernietiging van het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 28 okt. 1990 en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem. Noot: 1. Afgezien van enige voor de hand liggende beslissingen strekkende tot ambtshalve toepassing van vervaltermijnen en toelating van feitelijke vermoedens (r.o. 3.6), bevat dit arrest met name beslissingen over onrechtmatig bewijs (r.o. 3.5). 2. De casuspositie lijkt veel op die van HR 16 okt. 1987 (Driessen/Van Gelder), NJ 1988, 850 (m.nt. EAA), waarbij de Hoge Raad thans uitdrukkelijk aansluit. In beide gevallen gaat het om de vraag naar de toelaatbaarheid van civiel bewijs door middel van een bandopname van een of meer telefoongesprekken. In beide gevallen betreft het een bandopname die clandestien door een gesprekspartner is gemaakt, dat wil zeggen zonder toestemming en medeweten van de andere gesprekspartner. 3. Sedert Driessen/Van Gelder weten wij het volgende. Een clandestiene bandopname van een telefoongesprek tussen de toekomstige procespartijen A en B (i.c. Van Gelder resp. Driessen) door A, valt slechts onder bijkomende omstandigheden te kwalificeren als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van B. Doen die zich voor en wil A de band vervolgens als bewijsmateriaal tegen B gebruiken, dan maakt hij zich schuldig aan onrechtmatige bewijsverkrijging. Onder welke bijkomende omstandigheden dat het geval is, kan in het midden blijven indien het - zoals bij Driessen/Van Gelder - gaat om een gesprek in het zakelijk verkeer, waardoor er geen sprake kan zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Toch geeft de Hoge Raad in Driessen/Van Gelder wel een indicatie voor de inhoud van die bijkomende omstandigheden, door te verwijzen naar de memorie van toelichting op art. 10 Grondwet (Gr.w), waarin "de aard en de mate van intimiteit van hetgeen omtrent een ander" wordt vastgelegd of geopenbaard van groot gewicht wordt geacht ter beoordeling van de vraag of er sprake is van een inbreuk in de persoonlijke levenssfeer. Sedert Driessen/Van Gelder weten wij tevens, dat ook het gebruik als bewijsmiddel van een op zichzelf rechtmatig vergaarde, zij het clandestiene bandopname onrechtmatig kan zijn wegens schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ook een dergelijke inbreuk - niet door de vergaring als bewijs maar door het gebruik als bewijs en daarmee de openbaarmaking van de bandopname - zal zich niet "te allen tijde" voordoen. Ook in dit verband refereert de Hoge Raad aan de vermelde passage uit de memorie van toelichting op art. 10 Gr.w. Evenmin acht de Hoge Raad in Driessen/Van Gelder de openbaarmaking van het bewijsmateriaal op andere gronden onrechtmatig, een beslissing die de Hoge Raad niet motiveert. 4. De vraag rijst thans wat het arrest Slempkes/Nool aan het arrest Driessen/Van Gelder toevoegt. Om wille van de duidelijkheid maak ik bij de analyse van dit vraagstuk in navolging van de Hoge Raad in de zaak Driessen/Van Gelder een onderscheid tussen onrechtmatig (vergaard) bewijs (waarover meer sub 5-9) en onrechtmatig gebruikt (geopenbaard bewijs (waarover meer sub 10). Beide vormen van bewijs kunnen als "onrechtmatig bewijs" ontoelaatbaar zijn en als zodanig terzijdestelling van de rechter vragen. 5. Bij Driessen/Van Gelder ging het om bewijs van wijziging van een verzekeringsovereenkomst. Thans gaat het om bewijs van belediging. Bij Driessen/Van Gelder was er sprake van een gesprek in de zakelijke sfeer, thans gaat het om gesprekken die aan de zijde van potentieel gelaedeerde in de persoonlijke sfeer werden gevoerd (r.o. 3.5.3). De Hoge Raad bevestigt thans - en neemt daarmee afstand van het oordeel van de rechtbank - de leer van Driessen/Van Gelder, dat er nog (nadere) bijkomende omstandigheden nodig zijn om onrechtmatig verkregen bewijs aan te mogen nemen bij een clandestien gemaakte bandopname in de privesfeer (r.o. 3.5.2, 2e alinea). 6. De bijkomende omstandigheid die de Hoge Raad signaleert (eveneens in r.o. 3.5.2, 2e alinea), vormt nu juist een contra-indicatie voor onrechtmatig bewijs. Nool blijkt zelf haar privacy doorbroken te hebben en dat duidt niet op privacy-gevoeligheid. Van een inbreuk van de persoonlijke levenssfeer zal dan ook minder gauw sprake zijn. Zie ook bijv. De Boer, preadvies, HNJV 1990-I, p. 34 in het licht van het privacy-beginsel van art. 8 EVRM. 7. De bijkomende omstandigheden die de rechtbank (naar haar oordeel ten overvloede) noemt, acht de Hoge Raad ontoereikend. De Hoge Raad interpreteert die feiten aldus, dat Slempkes jegens Nool hoogstens te verwijten valt, dat zij gebruik wilde maken van een bandopname waarvan zij wist, dat deze onrechtmatig was verkregen door detective Zuidema van een andere detective, Teerink, die op zijn beurt de bandopname had gemaakt (r.o. 3.5.3, 3e alinea). Hiermee stuiten wij op een volgende feitelijke bijzonderheid van Slempkes/Nool ten opzichte van Driessen/Van Gelder: anders dan bij Driessen/Van Gelder werd de bandopname dit keer niet door de bewijzende partij zelf gemaakt, zelfs niet door een in opdracht van die partij handelende persoon, maar door een vierde betrokkene (Teerink). De Hoge Raad sluit niet uit, dat de bewijzende partij in die situatie zelf onrechtmatig bewijs vergaart, maar dan moet er wel wat meer aan de hand zijn, dan thans vaststaat. De Hoge Raad denkt daarbij met name aan een (hypothetische) opdracht van Slempkes aan Zuidema om Teerink aan te zetten tot een onrechtmatige bandopname (r.o. 3.5.3, 2e alinea, 1e zin). Daarnaast lijkt de Hoge Raad te denken aan een opdracht van Slempkes aan Zuidema om zich op jegens Teerink laakbare wijze meester te maken van de bandopname (r.o. 3.5.3, 2e alinea, 2e zin). 8. Het is duidelijk dat de Hoge Raad gezien de feitelijke uitgangspunten in cassatie moet concluderen, dat Slempkes jegens Nool geen onrechtmatige daad in de zin van onrechtmatige bewijsvergaring valt te verwijten. In het bijzonder duiden de vastgestelde feiten er niet op, dat Slempkes jegens Nool maatschappelijk gezien onzorgvuldig heeft gehandeld, door het bewijs te verzamelen. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad de woorden "jegens Nool" cursiveert. Moet men hier een toepassing in lezen van het relativiteitsvereiste, dat thans is neergelegd in art. 6:163 BW? Zelf neig ik ertoe aan te nemen, dat de feitelijke constellatie in dit geval in het geheel niet duidt op enige onrechtmatige daad van Slempkes jegens wie dan ook (zie tevens A-G Asser in zijn conclusie sub 2.27), maar de Hoge Raad vaart in deze zaak ogenschijnlijk een veiliger koers door vast te stellen dat er in ieder geval geen sprake is van een onrechtmatige daad van Slempkes jegens Nool. Zie ook de conclusie van A-G Asser sub 2.17 e.v., in aansluiting op zijn Grenzen aan de waarheidsvinding, Deventer 1991, p. 15. 9. Is die koers slechts ogenschijnlijk of ook werkelijk veiliger? Hoe te denken over bewijsvergaring die onrechtmatig is tegenover een ander dan de processuele wederpartij? Uit het oogpunt van rechtsontwikkeling is het spijtig dat Slempkes niet ernstig laakbaar jegens een van haar detectives Zuidema of Teerink is opgetreden. Stel, zij heeft de bandopname door misdaad (bijv. doodslag of mishandeling van de bandopnemer) verkregen, maar zij heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens haar processuele wederpartij, dan vormt die misdadige bewijsvergaring door de bewijzende partij toch wel degelijk een grond om het bewijs niet te aanvaarden? Haardt en Van Soeren zullen die vraag met mij bevestigend beantwoorden; zij willen in strijd met de wet verkregen bewijsmateriaal vrijwel altijd terzijde stellen (zie met name Burg. Rv, art. 179, aant. 4). Anders kennelijk Asser t.a.p. in navolging van zijn Grenzen aan de waarheidsvinding. Anders mogelijk ook de Hoge Raad in en rond de gecursiveerde passage. Slechts r.o. 3.5.3, 2e alinea, 2e zin geeft mij nog enige hoop, daar waar de Hoge Raad zo nadrukkelijk vaststelt, dat er geen opdracht van Slempkes aan Zuidema is komen vast te staan die erop zou duiden, dat Zuidema zich ten opzichte van Teerink op laakbare wijze van de band meester zou moeten of mogen maken. Die vaststelling zou immers irrelevant zijn in de opvatting dat het er uitsluitend om gaat of jegens Nool door Slempkes onrechtmatig is gehandeld. Zie ook de conclusie van A-G Asser sub 2.27. Men tille niet te licht aan dat sprankje hoop. Ik vrees dat wij nog vele weinig verheffende, Pilatusachtige zaken tegemoet kunnen zien als wij volhouden, dat de wijze waarop bewijsmateriaal is verkregen niet ter zake doet, zo lang de gebruiker van het bewijsmateriaal maar niet zelf bij de bewijsvergaring laakbaar heeft gehandeld jegens degene tegen wie hij het bewijsmateriaal gebruikt. Daar staat uiteraard het belang van de waarheidsvinding tegenover, een belang dat ook in civilibus respectabel valt te achten. Maar behoort dan niet telkens in concreto beoordeeld te worden of dit belang der waarheidsbevinding wel opweegt tegen het belang van een zindelijke, rechtens verantwoorde bewijsvergaring? Is het wel verantwoord om die afweging in abstracto op voorhand te elimineren door te oordelen dat het er niet toe doet of de bewijsvergaring laakbaar is indien de gebruiker van het bewijsmateriaal maar niet jegens zijn wederpartij laakbaar handelt? Dient men bijv. het belang dat bewijs niet door moord verkregen wordt wel ondergeschikt te maken aan het belang bij het boven water komen van een of meer beledigingen? 10. Helaas komt thans anders dan in de zaak Driessen/Van Gelder niet aan de orde of het al dan niet onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal onrechtmatig in de procedure gebruikt in de zin van geopenbaard wordt. Denkbaar zou met name kunnen zijn, dat de bandopname op zichzelf wel rechtmatig is gemaakt, maar dat de openbaarmaking ervan door Slempkes in het kader van de bewijslevering, gezien de aard en mate van intimiteit van het vastgelegde, toch een onrechtmatige daad van Slempkes jegens Nool zou opleveren. Vgl. de "tweede lijn" in het arrest Driessen/Van Gelder, die ik zojuist sub 2 uiteengezet heb. Denkbaar zou ook kunnen zijn, dat er wel sprake is van onrechtmatige bewijsgaring door Slempkes, maar niet van onrechtmatige bewijsgaring door Slempkes jegens Nool, en dat de openbaarmaking door Slempkes niettemin wel onrechtmatig zou kunnen zijn jegens Nool. Ook hiervoor biedt de tweede lijn van Driessen/Van Gelder een grondslag. Men denke niet hiermede ook het probleem van het relativiteitsvereiste opgelost te hebben. De ernst van de laakbaarheid van de bewijsgaring behoeft immers geen invloed te hebben op de vraag naar de toelaatbaarheid van de openbaarmaking. Ik refereer overigens ook aan de opvatting van Alkema onder Driessen/Van Gelder, die zich afvraagt of er wel van openbaarmaking sprake is daar waar de rechter de zaak met gesloten deuren kan behandelen. 11. Voor nadere gedachten over het leerstuk onrechtmatig bewijs mede in verband met dit arrest moge ik verwijzen naar mijn EUR-afscheidsrede "Op de grens van burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht", Arnhem/Deventer/Zwolle 1992, p. 53 e.v. Daarin bespreek ik ook de opvatting van A-G Asser (zie zijn conclusie sub 2.16 e.v.), dat kort gezegd slechts schending van processuele normen in de weg staat aan gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in civiele zaken. HJS