NJ 1979/263 -------------------------------------------------------------------------------- HOF 's-HERTOGENBOSCH 14 november 1978. (Mrs. Achterbergh, Jansen, Govaerts). BW art. 1401 [Essentie] Schade toegebracht aan niet-rechtmatig belang. Relativering van het beginsel, dat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. De algemene regel dat de pleger van een onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade, lijdt uitzondering indien die schade is toegebracht aan een niet-rechtmatig belang van de gelaedeerde en deze laatste bij het nastreven van het verwerven van dit belang een norm heeft geschonden strekkende of mede strekkende ter bescherming van het rechtmatig belang van de laedens. [Tekst] A.N.A. van Bavel, te Waalwijk, appellant, proc. Mr. G.Th.C. van der Bilt, tegen Naaimachinebedrijf Duco BV, te Waalwijk, geintimeerde, proc. Mr. W.M. Nijs. T.a.v. de feiten: O. dat het Hof, onder verwijzing naar de stukken van beide instanties, de daarin vervatte feiten als volgt weergeeft: Geintimeerde, hierna te noemen Duco, heeft in haar bedrijf sinds jaar en dag naaimachines verkocht door middel van shows, die in het gehele land in verenigingsgebouwen, plaatselijke cafes en dergelijke worden gehouden, nadat deze shows te voren door het huis aan huis verspreiden van reclamefolders zijn aangekondigd. Deze folders zijn altijd hetzelfde van inhoud en opzet geweest, hetgeen ook geldt voor de garantiebewijzen, die bij verkoop van naaimachines worden afgegeven. Appellant, hierna te noemen Van Bavel, is tot 23 aug. 1976 bij Duco in loondienst werkzaam geweest. Na beeindiging van zijn dienstbetrekking op laatstgenoemde datum is ook Van Bavel bedrijfsmatig naaimachines gaan verkopen, waarbij hij een verkoopsysteem, soortgelijk aan dat van Duco, bezigde en zich daarbij bediende van folders en garantiebewijzen, die, m.u.v. de naamsaanduiding, tot circa eind sept. 1976 nagenoeg woordelijk gelijkluidend waren aan die welke Duco voor haar verkoop gebruikte. Aanleiding tot de onderhavige procedure is geweest een door Van Bavel georganiseerde naaimachine-show welke op 11 sept. 1976 in hotel "Concordia'' te Zierikzee werd gehouden. In verband daarmede stelde Van Bavel bij dagvaarding, die dit geding inleidde: dat hij op drie sept. 1976 folders heeft afgegeven aan een aantal verspreiders van foldertjes, o.m. te Bruinisse, Nieuwekerk, Renesse, Brouwershaven en Zierikzee, welke folders betroffen een naaimachineshow op zaterdag 11 sept. 1976 in Hotel "Concordia'' te Zierikzee, welke show door Van Bavel was georganiseerd; dat op maandag 5 sept. 1976 aan de verspreiders, in eerste instantie door Van Bavel benaderd, een zgn. personeelslid van "Sterna'', onder welke naam Van Bavel handelt, heeft medegedeeld, dat de show van zaterdag 11 sept. 1976 was verschoven naar donderdag 9 sept. 1976, dat de hiervoor verschafte foldertjes niet behoefden te worden verspreid, dat derhalve deze folders mee teruggenomen konden worden, terwijl aan dezelfde verspreiders andere folders werden afgegeven, welke de naaimachine-demonstratie van donderdag 9 sept. 1976 aankondigden; dat eerst later aan de verspreiders duidelijk werd, dat het zgn. personeelslid van "Sterna'' de directeur van Duco was en dat deze folders bestemd waren voor een naaimachine-demonstratie, welke in het Verenigingsgebouw te Zierikzee op donderdag 9 sept. zou worden gehouden door Duco; dat door het terugnemen door Duco van het foldermateriaal, afgegeven door Van Bavel, geen bekendheid kon worden gegeven aan de door Van Bavel georganiseerde show in Hotel Concordia te Zierikzee, waardoor de show, georganiseerd door Van Bavel, nauwelijks werd bezocht; dat Duco zich door de bovengeschetste handelwijze heeft schuldig gemaakt aan oneerlijke concurrentie, derhalve heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt, jegens eens anders persoon of goed en zich derhalve heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad; dat Van Bavel door Duco's onrechtmatig handelen schade heeft geleden tot een bedrag ad f 5200, gespecificeerd als volgt: a. het drukken van 5000 folders f 200 b. het verspreiden van 5000 folders f 200 c. uurloon gedurende drie dagen, in totaal 30 uur f 1140 d. huur vrachtbus 30 km f 150 e. autokosten 2 dagen 700 km f 350 f. zaalhuur plus kosten f 100 g. diverse kosten f 60 h. winstderving f 3000 Totaal: f 5200 voor welke schade Duco aansprakelijk is; enz. Bij memorie van grieven heeft Van Bavel tegen dit vonnis zeven grieven aangevoerd welke luiden: Grief I. Ten onrechte, enz. Grief II. Ten onrechte, enz. Grief III. Ten onrechte heeft de Rb. overwogen, dat uit de gestelde feiten moest worden geconcludeerd, dat Van Bavel folders en garantiebewijzen gebruikte, zodanig gelijkend op de folders en garantiebewijzen van Duco, dat moet worden gesproken van plagiaat, gepleegd door Van Bavel en dat Van Bavel aldus handelende jegens Duco een onrechtmatige daad heeft begaan; Grief IV. Ten onrechte heeft de Rb. derhalve geconcludeerd, dat Duco het recht had zich tegen het gebruik van o.m. de bewuste folders te verzetten en Van Bavel de verspreiding van die folders onmogelijk te maken; Grief V. Ten onrechte heeft de Rb. geoordeeld dat Duco niet onrechtmatig heeft gehandeld door het verspreiden van de folders van Van Bavel te beletten; Grief VI. Ten onrechte heeft de Rb. overwogen, dat tussen het eventuele onrechtmatig handelen van Duco en de pretense schade geen causaal verband bestaat; Grief VII. Ten onrechte, enz. T.a.v. het recht: O. met betrekking tot de aangevoerde grieven: ... Ad grief III: Bij vergelijking van de voor Van Bavels show van 11 sept. 1976 bestemde uitnodigingsfolders met de folders van Duco, welke bescheiden bij conclusie van antwoord in het geding zijn gebracht, is het Hof uit eigen aanschouwing gebleken dat dit van Van Bavel afkomstig reclamemateriaal, behalve wat de naamsaanduiding betreft, vrijwel identiek is aan dat van Duco. Hieruit volgt dat Van Bavel zich t.o.v. Duco aan plagiaat in de zin van slaafse navolging heeft schuldig gemaakt, hetgeen een ongeoorloofde mededinging en mitsdien een onrechtmatig handelen jegens Duco oplevert, zodat deze grief ongegrond is. Een soortgelijke identiteit valt waar te nemen bij vergelijking van de door Van Bavel en Duco gebezigde garantiebewijzen doch, daar deze bescheiden eerst na de koop plegen te worden afgegeven en mitsdien de wilsvorming van de klant niet of nauwelijks beinvloeden, is van deze garantiebewijzen geen concurrerende werking te verwachten, zodat ze in de hierna volgende overwegingen verder buiten beschouwing zullen blijven. Van Bavel heeft i.v.m. deze grief te bewijzen aangeboden dat hier geen sprake is van plagiaat, doch, daar het oordeel over deze vraag in het onderhavige geval niet de feiten doch de waardering daarvan betreft zal het Hof dit bewijsaanbod passeren. Ad grieven IV en V: Deze grieven bestrijden het oordeel van de Rb. dat Duco in beginsel het recht had - geheel los van de vraag of de wijze waarop zij in het onderhavige geval dit recht meende te kunnen realiseren door de beugel kon - zich tegen de verspreiding van de door Van Bavel gebruikte folders te weer te stellen. Dit oordeel is echter de onvermijdelijke gevolgtrekking van de, blijkens de weerlegging van grief III, terecht door de Rb. gehuldigde opvatting dat Van Bavel zich door de verspreiding van genoemde folders aan ongeoorloofde mededinging ten opzichte van Duco schuldig maakte zodat ook deze grieven falen. Ad grief VI: Bij inleidende dagvaarding heeft Van Bavel gesteld: dat de direkteur van Duco op 5 sept. 1976, zich uitgevend voor personeelslid van "Sterna'', aan de verspreiders van Van Bavels foldermateriaal heeft meegedeeld dat de show van 11 sept. 1976 (door Van Bavel georganiseerd) was verschoven naar 9 sept. 1976, dat de hiervoor (door Van Bavel) verschafte folders niet behoefden te woren verspreid en mee teruggenomen konden worden en dat genoemde direkteur na deze mededeling aan diezelfde verspreiders andere folders ter verspreiding heeft verschaft voor een door Duco georganiseerde naaimachine-demonstratie van 9 sept. 1976. Bij conclusie van antwoord heeft Duco ontkend dat iemand van haar afkomstig zich voor personeelslid van "Sterna'' heeft uitgegeven, dat zij het heeft doen voorkomen dat de te verspreiden folders van Van Bavel kwamen en dat deze zijn show vervroegd had. In zijn volgende conclusies is Van Bavel echter terzake van zijn aan Duco gericht verwijt meer in bijzonderheden getreden enz. Na deze uitweiding kon Duco niet meer volstaan - gelijk zij in feite deed - met een simpele herhaling van haar bij conclusie van antwoord in algemene termen geformuleerde tegenspraak. Hierdoor staat dus rechtens als ongenoegzaam weersproken vast dat Duco op 5 sept. 1976 de reeds door Van Bavel aangezochte verspreiders heeft bewogen de opdracht van Van Bavel onuitgevoerd te laten en de door Duco opgedragen verspreidingswerkzaamheden te verrichten als contra-prestatie voor het aan die verspreiders door Van Bavel voor zijn werkopdracht betaald bedrag. Het is naar 's Hofs oordeel niet voor betwisting vatbaar dat deze vorm van eigen richting in strijd is met de tegenover Van Bavel in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid, terwijl evenmin het causaal verband tussen dit onrechtmatig optreden en de door Van Bavel gestelde schade (afgezien van de grootte der daarvoor uitgetrokken bedragen) kan worden ontkend, nu evident is dat deze schade bij het achterwege blijven van Duco's manipulatie niet zou zijn opgetreden en voorts het redelijkerwijze te verwachten gevolg van deze manipulatie was. Het oordeel van de Rb. dat dit causaal verband ontbrak wordt dus terecht in de onderhavige grief bestreden. Hieruit vloeit echter nog niet voort dat Duco alle ten gevolge van haar onrechtmatig optreden voor Van Bavel veroorzaakte schade zal hebben te vergoeden. De algemene regel dat de pleger van een onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade lijdt namelijk uitzondering indien die schade is toegebracht aan een niet-rechtmatig belang van gelaedeerde en deze laatste bij het nastreven van het verwerven van dit belang een norm heeft geschonden strekkende of mede strekkende ter bescherming van het rechtmatig belang van de laedent. Dit uitzonderingsgeval doet zich i.c. voor, daar de door Van Bavel gestelde onkosten, vervat in de posten a. t/m g. (behalve een onder b. vallend onderdeel, waarop hierna nog zal worden teruggekomen) bestemd waren om de tegen Duco gerichte ongeoorloofde mededinging te realiseren of daaruit voordeel te trekken, terwijl ook de winstderving opgenomen in post h. in deze ongeoorloofde mededinging haar oorzaak vond. De onderhavige grief, ofschoon gegrond bevonden, zal dus niet tot vergoeding der zoeven genoemde schadeposten (behoudens de ten aanzien van post b. gemaakte reserve) kunnen leiden. Het betoog, dat tot deze laatste conclusie leidde, geldt echter slechts ten dele voor post b. Deze post, waarvoor aanvankelijk f 200 was uitgetrokken, welk bedrag bij conclusie van repliek werd verdubbeld, betrof, zoals in laatstgenoemde conclusie onweersproken werd gesteld, het verspreiden van 10 000 folders, t.w. 5000 voor Zierikzee en 5000 voor de omliggende gemeenten. De 5000 voor Zierikzee bestemde folders zijn ook inderdaad ingevolge Van Bavels opdracht ter plaatse verspreid; de daarvoor gemaakte kosten van f 200 zijn dus inderdaad besteed ter realisering van Van Bavels ongeoorloofde mededinging en komen derhalve blijkens het bovenstaande niet voor vergoeding in aanmerking. De 5000 voor de omliggende gemeenten bestemde folders waren op 5 sept. 1976 echter nog niet verspreid en werden op die datum door toedoen van Duco's direkteur bij de verspreiders verwisseld voor Duco folders. De daarvoor betaalde kosten ten bedrage van f 200 zijn dus niet besteed ter realisering van Van Bavels ongeoorloofde mededinging, zodat voor deze schadepost de algemene regel geldt dat degene, die ze onrechtmatig heeft veroorzaakt, t.w. Duco, tot vergoeding daarvan gehouden is. Het bovenstaande leidt er derhalve toe dat Van Bavels conventionele vordering voor een bedrag van f 200 moet worden toegewezen. (Enz.).